is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 4, 1867-1868, no 33, 15-12-1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standplaatsen; hadden nagegaan, hebben in het algemeen het best bij het examen voldaan.

Wat de natuurlijke geschiedenis der dieren en vergelijkende ontleedkunde betreft, zoo waren de uitkomsten van het examen zeer uiteenloopende. Slechts eenige zeer weinige candidaten hadden eene tamelijk voldoende kennis der beginselen van beide deze onderdeelen der dierkunde. Anderen kenden die van de natuurlijke geschiedenis der dieren , maar waren geheel onkundig op het gebied der vergelijkende ontleedkunde. Bij verreweg de meesten was het geleerde louter geheugenwerk, zoodat zij wel namen wisten te noemen, doch zonder de voorwerpen zelf te herkennen. Uit het examen inde leer der delfstoffen bleek ten duidelijkste, dat de candidaten zich bij het lezen van een zeer oppervlakkig handboek hadden bepaald. De meesten wisten uit eene verzameling van meest bekende mineralen geen enkel aan te wijzen, dat hun bekend was. De kennis der geneesmiddelen als waren was zeer verschillend bij den eenen of den anderen; bij sommigen voldoende, doch velen toonden duidelijk genoeg dat zij uit eigene aanschouwing met deze voorwerpen niet beleend waren. Ook hierbij was eenige praktische oefening vooraf noodig geweest. mcdedeelingcn. Ingezonden stukken. Beek {Limburg), 7 December 1867. Mijnheer de Redacteur ! Door deze wenschte ik van U de volgende vraag in het Pharmaceutisch Weekblad opgelost te zien: Is het veroorloofd aan plattelands-heel- en vroedmeesters, welke bij het invoeren der geneeskundige wetten van den Isten Juni 1865 de bevoegdheid niet bezaten, de artsenijbereidkunst uitte oefenen onder de leiding vaneen niet bevoegden hulp- of leerling-apotheker, en welke uitoefening geschiedt inde huishoudelijke woning der niet bevoegden, en daar geneesmiddelen gereed gemaakt, verkocht en afgeleverd worden, zonder het minste toezicht of aanraking met een bevoegde. Y. Quaedvlleg. Plattelands-heel- en vroedmeesters waren bij de vorige wetgeving bevoegd tot het leveren van geneesmiddelen op plaatsen , waar geen of slechts één apotheker gevestigd was. Zij hebben niet alleen volgens art. 20 van Wet 111 die bevoegdheid behouden, zoolang zij inde plaats gevestigd blijven, waarin zij op het tijdstip van de invoering der wet gevestigd waren, maar zijn (luidens de Memorie van Beantwoording op art. 20) tevens bevoegd, om, indien zij verhuizen naar plaatsen, alwaar geen apotheker gevestigd is, aldaar volgens art. 9 van Wet 111 geneesmiddelen af te leveren. Zulks moet echter geschieden onder hunne leiding en voor hunne verantwoording, en hulp-apothekers of leerling- apothekers mogen alleen ouder hun toezicht werkzaam zijn (art. 22 van Wet IV,). De bepaling van een afzonderlijk gedeelte vaneen huis, uitsluitend bestemd tot de uitoefening der artsenijbereidkunst, zooals

i voor de apothekers is voorgeschreven (al. 2 art. 3 Wet IV), is, helaas , voor de geneeskundigen niet geldend verklaard. (In art. 21 van Wet IV staat art. 3 niet vermeld onder de artikels, die ten aanzien der geneeskundigen gelden). De uitoefening zonder toezicht is alleen mogelijk, indien de geneesheer niet volgens art. 4 van Wet 111 den burgemeester der plaats van zijne vestiging heeft kennis gegeven, of indieu het gemeentebestuur daarvan den inspecteur niet heeft onderricht (al. 2, art. 15 , Wet IV). Indieu echter een geneeskundige, die zich na de invoering der geneeskundige wetten van 1 Juni 1865 gevestigd heeft of vestigt op eene plaats alwaar één of meer apotheken bestaan, aldaar geneesmiddelen aflevert (bij het bestaan van ééne apotheek zonder verlof-vau Gedeputeerde Staten), en indien een hnlp-apotheker of leerling-apotheker zich tot de bereiding daarvan leent, dan overtreden zij allen kennelijk al. 2 van art. 1 der wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst en stellen zich allen aan de gevolgen dezer overtreding (art. 31) bloot. Red. Uittreksels uit binnen- en bultenlandscbe tijdschriften. Bereiding van aconitine, volgens Groves. Men maakt eerst eene sterke tinctuur door 2ya kilo tot grof poeder gebrachten wortel van aconitum met y kilo gemethyleerden alcohol, waarbij 2y2 onoe sterk zoutzuur gevoegd zijn , omstreeks eene week te macereeren. Na bijvoeging van omstreeks 10 oneen water wordt de wijngeest door distillatie verwijderd. De inhoud der retort wordt in eene schaal gegoten en de laatste sporen wijngeest verdreven. Na afkoeling der vloeistof neemt men door middel van pipet en filtrum de olieachtige bestanddeelen., die op de vloeistof drijven weg, een zeer tijdroovend maar niet werk. Men giet nu bij de heldere vloeistof eene overmaat eener sterke oplossing van kwikzilverjodide en joodpotassium, verhit onder voortdurend omroeren tot 100° en scheidt de harsachtige massa af, die zij vormt. Om het aldus verkregen joodkwikzilverpraecipitaat te ontleden, dat gemiddeld 1 once bedraagt, doet men bij kleine proeven het best, het in warmen alcohol op te lossen en eene geringe overmaat eener warme oplossing van salpeterzuur zilver in water bij te voegen (in het groot kan men, in plaats van het zilverzout, zwavelammonium en loodazijn aanwenden). De vloeistof, van het joodzilver afgeliltreerd , bevat nu salpeterzure kwikzilver, een spoor salpeterzuur zilver en salpeterzure aconitine. Men zou het alcaloïde dadelijk zuiver kunnen verkrijgen door bijvoeging van koolzure potassa in overmaat en uitwassching met aether. Het is echter beter, eerst het kwikzilver door zwavelwaterstofgas te verwijderen. De aether wordt verdampt of afgedcstilleerd, waarbij eene bleekbruine, alcalisch reageerende zelfstandigheid terugblijft, gedeeltelijk kristallijn, gedeeltelijk harsachtig. (Zij bedroeg 10—12 grein op het ya kilo wortel). Voor verdere zuivering wordt het overblijfsel in water met een Weinig