Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pharmaceutiscli WdibM VOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R, J. OPWIJRDA, Apotheker te lijmegen.

Het Pharmaceutisch Weekblad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. li. CENTEN te Amsterdam, Prijs per jaargang, franco per post, / 4,50. Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgekomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur, onmiddellijk of onder couvert van den Uitgever uiterlijk vóór Woensdag te Amsterdam of vóór Donderdag te Nijmegen. > Prijs der adverlentiën: Van 1 tot 6 Regels /1.—, elke regel meer 15 Cts., behalve het zegelrecht.

ZOUDAG S6 April 1868.

IV". 58.

4e Jaargang.

ïledcdeelingen. Ingezonden stukken. Aan de Redactie van het Pharm. Weékbl. Ouder dankbetuiging voor de eerder vermelding mijner stellingen, verdedigd tot het verkrijgen van den graad van Doctor inde Pharmacie, in uw geacht Weekblad, zij het mij vergund enkele opmerkingen te mogen maken omtrent uwe over sommige punten in parenthesi uitgedrukte meeuing. Uwe meeuing betrekkelijk de 3e stelling : „Bij de tegenwoordige inrichting zijn noch hoogescholen, noch „hoogere burgerscholen geschikt voor eene doeltreffende „(in uw blad is minder juist het woord „doelmatige” „daarvoor inde plaats gekomen) opleiding tot apothekers” is geheel dezelfde als die, welke ik tot verdediging dier stelling wenschte aan te voeren. Het is volkomen juist, dat voor zoo verre de practische opleiding inde apotheek plaats heeft, de vorming tot hulp-apotheker aan eene hoogere burgerschool met vijfjarigen cursus kan geschieden, doch er wordt immers door mij niet van hulp-apotheker, doch wel van opleiding tot apotheker gesproken, en daartoe zijnde genoemde hoogere burgerscholen onvoldoende. Uwe uitdrukkingen: „wij geven het gewonnen” en „maar wij blijven verdedigen,” die derhalve zouden doen vermoeden, dat mijne stelling indruischt tegen uw gevoelen, zijn dus eigenlijk overbodig. Wij zijn het in dit opzicht volkomen eens. Op mijne 5e stelling, betrekkelijk het erlangen van den graad van doctor inde Pharmacie, wordt opgemerkt, „dat het voortbestaan van den graad van Doctor inde ;,Pharmacie, door u niet noodzakelijk wordt geacht.” De noodzakelijkheid daarvan is ook nimmer door mij beweerd , doch wei de wenschelijkheid. Of is het niet geweuscht, dat de apotheker, den hoogst wetenschappelijken titel in zijn vak kan verkrijgen ? Is zijn vak niet de veel omvattende Pharmacie? Is het niet billijk en rationeel, dat op gelijke wijze als de arts den graad van Doctor inde Medicijnen kan behalen, de apotheker kan doctoreren inde Pharmacie?

Is alleen de gelegenheid opengesteld tot het promoveren inde Philosophie, dan zal hem dit door de vereischte kennis van hoogere wiskunde, sterrekunde en raetaphysica schier ónmogelijk worden. In het ingediende wetsontwerp is dan ook zeer terecht het doctoraat inde Pharmacie opgenomen en onafhankelijk gemaakt van eiken anderen doctoralen graad. Dat de redenering „omdat voor het notariaat geen doctoraat bestaat, moet er ook geen zijn voor pharmacie,” zvyak is, zal wel niet betoogd behoeven te worden. Naar aanleiding van stelling XXV, aangaande de bereiding van homoëopathische geneesmiddelen, wordt gevraagd : „of de verontreiniging met heterogene deelen uit den dampkring wel ergens zal kunnen vermeden worden ?” Mijn antwoord is; „onder de gewone omstandigheden van bereiding zeker neen,” doch bijaldien men waarde hecht aan de werking van zoodanige geneesmiddelen, gelijk tot op heden steeds het geval is, dan trachte men zich zooveel mogelijk te plaatsen in omstandigheden gunstig om hen te doen zijn , wat men er zich van voorgesteld heeft, Eene gewone apotheek, welker dampkring met stofdeeltjes van zoo vele geneesmiddelen kan bezwangerd zijn , is voorwaar de meest ongeschikte plaats tot 'de bereiding der bedoelde medicamenten. Of mag men aldus redeneren: De lucht is nergens geheel vrij van heterogene deeltjes, bereid daarom uwe homoëopathische geneesmiddelen maar in uwe gewone apotheek ? Die redenering schijnt ten grondslag te liggen aan da gestelde vraag. Ten aanzien der IX stelling: „zeer ten onrechte staat inde Pharmacopoea Neerlandica, op blz. 183, van het sulfuretum zincicum „quod in acide acetico sit solubile’’ wordt de opmerking gemaakt dat dit eene „drukfout” is. Ik wil dit gaarne aanuemen, zelfs zonder bewijs, zij het ook, dal deze fout mede overgegaan is inde Nederduitsohe vertaling. Wordt de waarde der stelling daardoor ontzenuwd ? Ik vermeen die vraag in ontkenneuden zin te mogen beantwoorden. Omtrent de stelling XV „sulfur auratum antimonü

Sluiten