Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Bladz. 4). en inden regel wordt nooit veel meer phosphorus in luciferskoppen gevonden. Wel is waar is het deeg het ( vehioul van den phosphorus en wordt daardoor geheel < ontvlambaar, doch de vergiftige werking wordt alleen i door den phosphorus veroorzaakt (tenzij er in het deeg 1 nog andere vergiftige bestanddeelen waren vervat) en kan overigens niet door het deeg worden vermeerderd. De hoeveelheid lood, in het deeg aanwezig, was zoo gering , dat zij niet in staat is geweest al het phosphorzuur te binden, zoodat zij de vergiftige werking niet • heeft kunnen vernietigen. De phosphorus en het lood . verbonden zijnde , kunnen zich in het lichaam weder ontbinden, waardoor dus de verminderde kracht weder normaal zou kunnen worden. De vraag , of zulk eene geringe hoeveelheid phosphorus den dood kan veroorzaken, is beantwoord door de ge- | neesheeren , die de lijkschouwing verricht hebben , en nader door twee geneesheeren, wier voorlichting het Hof heeft verlangd. De eerste deskundigen (de heeren Martin te Hulst en Deijer te Houtenisse) hebben phosphorus een zwaar, scherp werkend vergift genoemd, waarvan de werking is ontsteking en verwoesting van het organisme, en verklaard, dat de gevoeligheid van het organisme en de ontvankelijkheid van ieder mensoh voor de werking van het vergift door allerlei omstandigheden worden beheerscht, zoodat de hoeveelheid van de vergiflstof om den dood te moeten te weeg brengen, niet kan bepaald worden; dat in het algemeen de gift van, VlO medic. grein phosphorus wordt geacht gelijk te staan met de hoeveelheid in 8 lucifers vervat, en dat die gift, zelfs nog minder, als doodelijk wordt aangenomen voor een kind; dat de hoeveelheid phosphorus onverschillig is bij de beoordeeling van dit onderwerpelijk ziektegeval met doodelijken afloop, omdat geene andere oorzaak voor de ontsteking is gevonden. Na den waargenomen knoflookreuk aarzelden zij niet de ontsteking aan den phosphorus toe te schrijven. De door het Hof gerequireerde geneesheeren, Dr. J. C. de Man en Dr. Y. Keyzer te Middelburg, verklaarden niet te durven ontkennen, dat de vermelde gift phosphorus of eene gift, hoe gering ook , bij zulke persoonlijkheid den dood kan ten gevolge hebben. Zij gaven voor hun gevoelen de volgende gronden : De phosphoius is een zeer sterk vergif, omdat het inde maag wordt ontleed en vluchtig wordt. Zij kunnen niet bepaald zeggen, dat de hoeveelheid van 0,24 milligram (volgens hen gelijkstaande met y24oste grein) bi.ï een kind van 10 all maanden den dood moet veroorzaken , maar zij durven niet ontkennen, dat die gift of eene gift, hoe gering ook, den dood bij zulk een individu zou kunnen ten gevolge hebben. Een gift van ySO grein durven zij bij een kind wel als positief doodelijk aannemen. Van Hasselt haalt voorbeelden aan van yiooste en V2O0ste grein' Ook hebbe;l gelezen vaneen kind van twee jaren , dat gestorven is door 8 luciferskopjes ,• waarbij echter de quantiteit phosphorus niet was vermeld.

Moge ook de loodverbinding uiteen chemisch oogpunt ; de werking van den phosphoms hebben verzwakt, uit een medisch oogpunt kan het deeg tot de vergiftiging niet hebben medegewerkt, daar de hoeveelheid lood ook vee! te gering daartoe is. Wij meenden wel te doen deze belangrijke bijdrage tot de gerechtelijke geneeskunde als uittreksel uit het Weekblad van het Recht aan onze lezers mede te deelen. Het visum repertum der geneeskundigen, als minder van pharmaoeutisch belang , lieten wij daarbij geheel achterwege.- BOBACIXES CIXKAIXJS. CITBOENZUEE BOB.ACIEX. In No. 18 van den vorigen Jaargang komt eene bereidingswijze voor vaneen pharmaoeutisch praeparaat , onder den naam van boro-citras magnesicus. De bestanddeelen van het aldaar vermelde praeparaat waren magnesia , boorzuur en citroenzuur. Decker heeft over deze combinatie van citroenzuur, boorzuur en magnesia inden laatsten tijd eene brochure uitgegeven , waarbij chloormagnesium als eender medebestanddeelen wordt opgegeven , waaraan hij gewicht hecht. Het praeparaat wordt volgens hem bereid door (100 gram) tot poeder gebrachte boraciet (een mineraal, bestaande uit boorzure magnesia en chloormagnesium. hetwelk onder anderen in eene tamelijk groote hoeveelheid inde zoutwerken te Stassfurt aangetroffen en aldaar op de afscheiding van boorzuur bewerkt wordt) zoolang met gedistilleerd water af te wasschen , totdat het afloopende niet meer op chloor reageert en al het mechanisch bijgemengde chloormagnesium aldus verwijderd is. Alsdan wordt het poeder met het 2Va tot 3 voudig gewicht water (250 300 gram) verhit en langzamerhand zooveel citroenzuur (220 325 gram) bijgevoegd , totdat de boraciet onder koking volkomen is opgelost. De oplossing wordt gefiltreerd en tot dikke stroop ingedampt, op het laatst onder omroeren, dewijl zich daarop eene laag vormt, die het verdampen verhindert. Dan laat men alles gedurende eenige dagen bij de gewone temperatuur staan, waardoor het alleugskens tot een kristallijnen koek vast wordt, die, gewreven, eerst bij eene zachte warmte, later in het waterbad, volkomen uitgedroogd wordt. De hoeveelheid van het praeparaat komt nauwkeurig overeen met de hoeveelheid der aangewende grondstoffen na aftrek van het chloormagnesium, dat door afwassohing van de boraciet verwijderd is, en van de geringe hoeveelheid boorzuur en zoutzuur , die bij het oplossen en indampen ontwijken. Het praeparaat bestaat, zooals uit de bereidingswijze blijkt, uit citroenzure magnesia , vrij citroenzuur, vrij boorzuur en chloormagnesium , de beide laatste ih eenigszins afwisselende hoeveelheden. Bij getrek aan boraciet neemt men de volgende verhouding der bestanddeelen , om een geheel gelijksoortig praeparaat als het bovenstaande te verkrijgen. 140 Deelen magnesia usta, 290 deelen chloorwaterstofzuur (van

Sluiten