Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACEIJTISCH WEEKBLAD YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE YAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen,

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan-i Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang,| zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur franco per post,/4.50. Ite Nijmegen, vóór Woensdag. Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ I.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

N°. 14.

ZONDAG 1 Augustus 1869.

Ge Jaargang'.

Itlcdcdccllngen. Ingebonden stukken. AAN DE REDACTIE. Het 12de N°. van het Pharm. Weekbl. bevat een stuk van den Heer van der Tak Krabbe, dat wel eenige bespreking verdient, juist om de strekking van het stuk. ZEd. gaat in het kort na, hoe de apotheken (liever zouden wij zeggen de apothekers) vroeger werden bezocht, en hoe dat lezoek hoe langer zoo meer veranderd is in onderzoek van de geneesmiddelen. Want, zegt ZEd. //het openbaar gezag (zeker de visitator) heeft de gewoonte aangenomen en gewoonte is geen recht, om bij winkelvisitatie een deel van den voorraad te nemen, dit vervolgens aan een scheikundig onderzoek te onderwerpen, waardoor dit deel voor den eigenaar verloren gaat.” ZEd. stelt verschillende vragen: Iste waarop steunt dat nemen? 3de waarop steunt dat onderzoek? en hebben de apothekers en apotheekhoudende artsen recht op hunne geneesmiddelen ? He’ besluit van ZEd. is op dit alles://scheikundig onderzoek bij visitatie is dus in strijd met onze wet, onze zeden enz.” Het spijt mij, maar ik kan met deze bewering van den Heer van der Tak niet instemmen, en vind het noodig ook het oordeel van andere heeren collega’s in te roepen, ten einde hierin te beslissen. Ik wil mij niet opwerpen tot verdediger der Heeren visitatoren, zij zelven zijn daartoe het best in staat. Maar dit moet ik als mijne overtuiging uitspreken : // de visitatoren zijn volgens onze (geneeskundige) wet bevoegd niet alléén inde apotheek te komen zien, maar ook van de geneesmiddelen te nemen en te onderzoeken.” De Heer van der Tak wijst op artikel 24 en wil daaruit bewijzen: //de apotheken moeten onderzocht worden zonder meer de wet wil, zij beveelt geen scheikundig onderzoek, dat trouwens ook heel spoedig op onzin zou uitloopen.” En nu werpt de Heer van der Tak zijn eigen betoog omver, waarbij op zijne vraag //wat beveelt de wet?” antwoordt // een onderzoek, overeenkomstig den aard van wat onderzocht moet worden, binnen de grenzen der wet.” En nu vragen wij, geeft de geneeskundige wet den visitator het recht, om niet alleen inde apotheek te komen zien, maar ook -preparaten te nemen en te onderzoeken? Ja! Art. 26 geeft hem daartoe het volste recht! Het zegt: // worden bij het onderzoek geneesmiddelen let wel het onderzoek die voorhanden moeten zijn niet deugdelijk of aanwezig bevonden” enz. Vervolgens wordt er een tijd bepaald , binnen welken de niet deugdelijke door betere vervangen moeten zijn. Art. 26 geeft dus volledig antwoord op de vraag van den Heer van der Tak, waarop het nemen steunt. Het

is eene volledige van eene visitatie: Iste er moet onderzocht worden, 2de de niet deugdelijke geneesmiddelen kunnen afgekeurd worden, 3de hiertegen kan men bij vermeend onrecht reclameeren, 4de er kan eene hervisitatie gedaan worden. Wat zou dit alles te beduiden hebben, als een visitator alléén zou kunnen komen zien zonder te onderzoeken? Dan kon hij zijn’ tijd waarlijk beter besteden. De heer van der Tak vraagt: waarop steunt dit onderzoek? Op de criteria, door de Ph. Neerl. voor ieder der preparaten opgegeven, in zoover zij namelijk voor onderzoek vatbaar zijn. Voor scheikundige preparaten dienen scheikundige reactiën, voor pharmaceutische oordeelt men naar zijne eigene praotische ervaring. Dat scheikundig onderzoek al heel spoedig op onzin zou uitloopen, zie ik niet in en begrijp ik ook niet Heeft de apotheker recht op de geneesmiddelen bij hem voorhanden ? vraagt de Heer van der Tak. Wij antwoorden, wel zeker! maar wie zou het ooit willen beletten dat de visitator een zeer gering minimum van den voorhanden voorraad neemt voor het onderzoek? Als zachtste term zouden wij het kinderachtig noemen. Het zou de positie van den visitator, maar nog meer van den apotheker, onaangenaam maken, als men beginnen wilde het te weigeren. Men heeft te doen met mensohen, die de zaak zoo kiesch mogelijk behandelen; verschilt men van hen in opinie, welnu men staat tegenover hen als wetenschappelijk man en kan zich verdedigen. Ik ben overtuigd, dat Botterdam zich over zijn visitatoren niet te beklagen heeft. Had de Heer van der Tak deze zaak niet zoo publiek besproken als nu in dit orgaan, ik zou er nooit aan gedacht hebben daarover te schrijven. Maar nu ZEd. het uitgesproken heeft, dat het nemen van artikelen tot het onderzoek onwettig is, acht ik het noodig mijn collega’s tegen overijling te dien opzichte te waarschuwen. Het weigeren zou voor hen onaangename gevolgen kunnen hebben. De wet machtigt den visitator tot het onderzoek. Is iemands zaak in orde, zooveel te aangenamer voor hem zelven, als er een scheikundig onderzoek plaats heeft. Botterdam. J. snoep, Apotheker. De uitslag van het leerling-apothekers-examen van 20 —32 Juli te Leeuwarden gehouden is geweest, dat van de 17 examinandi 14 zijn toegelaten, bij namen: J. Gr. van Blom te Leeuwarden; J. Damen te Hardingen; M. J. van de Plaatste Sneek; J. Diephuis te Groningen; H. J. de Grient Dreutt te Witmarsum; H. van Eingh te Sneek; J. Wijbrandi te Leeuwarden; H. J. G. Buijs te Groningen; H. Thissen te Amsterdam; D. G, Brandsma

Sluiten