Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACEIJTISCII WEEKBLAD

YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA. Apotheker te Nijmegen. Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan-i Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang,! zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur fr an c o per post, ƒ 4.50. | te Nijmegen, vdór Woensdag. Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ I,—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

©e Jaargang1.

ZONDAG 13 September 1869.

N°. 80.

Medeileclingen. Ingezonden stukken. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft goedgevonden, met wijziging zijner beschikking van den 35st™ Augustus, te bepalen, dat de Commissie, aan welke is opgedragen het examineeren van hen, die eene acte van bevoegdheid als hulp-apotheker wenschen te verkrijgen, voor de tweede maal in het loopend jaar zitting zal houden op Maandag den 18aen September en eerstvolgende dagen te Utrecht. Aan het Handelsblad wordt uit Utrecht geschreven, dat aan de pharmaceutische kweekelingen, die inde termen vielen, om met 1° Augustus te worden benoemd tot militair-apotheker 33e klasse voor Indië, alsnu vergund is om met December a.s. op nieuw examen te doen. //Voor de arrondissements-rechtbank te Zierikzee stonden 4 September te recht, drie apotheek-houdende geneeskundigen, beschuldigd van overtreding der wet op de genees- en artsenijbereidkunst. Twee van deze geneeskundigen waren beklaagd wegens het voorhanden hebben van meer geneesmiddelen dan op hunne lijst stonden, op welke lijst zij geen andere geneesmiddelen geplaatst hadden dan de 78 bij maatregel van inwendig bestuur voorgesohrevene. Beide geneeskundigen beriepen zich ter hunner verdediging op het geschreven woord der wet, voorkomende in al. 4 van art. 9 der wet, regelende de uitoefening der geneeskunde, en beweerden door het opmaken eener lijst van geneesmiddelen, waarop niet ontbraken de geneesmiddelen bij maatregel van inwendig bestuur voorgeschreven, en die zij hadden doen viseeren, in alle opzichten voldaan te hebben aan het voorschrift der wet. Het Openbaar Ministerie eischte schuldigverklaring op grond van de oeconomie der wet. Deze geneeskundigen willen een rechterlijk vonnis uitlokken, ten einde de mate der vrijheid te kennen, waarmede zij over hunne geneesmiddelen beschikken kunnen. De derde geneeskundige was beklaagd wegens het bezit van eene onvoldoende balans, om vergiften te wegen. De instructie dezer zaak maakte op de aanwezige deskundigen een pijnlijken indruk. De beklaagde toch verklaarde geen kennis genoeg te bezitten, om de doelmatigheid eener balans te beoordeelen. Jammer genoeg! Want aangezien de balans met de schalen ten processe aanwezig was, zou het hem zeer gemakkelijk gevallen zijn aan te toonen, welke hoedanigheden zijne balans bezat. Vaneen der leden van den geneeskundigen raad, die het proces-verbaal tegen dezen geneeskundige hadden opgemaakt, kreeg de rechter op zijne herhaalde vraag, waarin dan toch het onvoldoende dier balans bestond, tèn antwoord : dat ze te groot was voor eene greinhalans. Men hebbe zich dus te wachten voor groote greinhalansen, al zijn ze ook nog zoo nauwkeurig.”

Wij geven dit bericht, zooals het in zijn geheel voorkomt inde Nieuwe Rotterdammer. Omtrent de bedoelde lijst hebben wij reeds vroeger als onze meening uitgespioken, dat de handeling der twee eerstgenoemde geneeskundigen kennelijk is tegen de bedoeling der wet. Omtrent het laatste feit, het af keuren der greinhalans, wenschen wij eerst nadere inlichtingen te verkrijgen, alvorens ons oordeel uitte spreken. VERSLAGEN der Commissien, in 1869 belast met het afnemen der examens ter verkrijging eener acte van bevoegdheid als leerling-apotheker , volgens art. 7 der loet van 1 Jmüj 1865. {Staatsblad N°. 59). Aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenland. sche Zaken, De commissie, benoemd bij beschikking van Uwe Excellentie, dd. 31 Junij 1869, n°. 398 , 9de afdeeling, ten einde te ’s Bosch af te nemende examens ter verkrijging eener acte van bevoegdheid als leerling-apothe-Ker, volgens art. T Oer wex van i auuij ioo« n°. 59), heeft de eer nevensgaand verslag harer werkzaamheden uitte brengen. Die commissie bestond uit de heeren: dr. Ingen-Housz, inspecteur voor Let geneeskundig Staatstoezigt voor de provinciën Noord Brabant en Limburg, als voorzitter, J. J. Steyns, apotheker te Maastricht, W. A. van Houten , apotheker te ’s Bosch, als leden, P. J. Roersch, apotheker te Maastricht, J. L. van Hal, apotheker te Bergen op Zoom, als plaatsvervangende leden. Aan den heer W. A. van Houten was de betrekking van secretaris opgedragen. Vóór den aanvang van het examen werd eene bijeenkomst gehouden ter vaststelling van de waarop het examen zou worden gehouden, waaraan tevens de plaatsvervangende leden deel namen. De punten voor het examen vastgesteld, waren als volgt: ledere candidaat kreeg ter schriftelijke bewerking een opstel, handelende overeen onderwerp, hetwelk de commissie oordeelde dat den candidaat niet onbekend koude zijn, terwijl daarbij een opstel van meer wetensohappelijken aard gegeven werd. Voor de rekenkunde werden 4 gemakkelijke en 3 meer ingewikkelde vraagstukken opgegeven, waaruit moest blijken dat zij met de vier hoofdregels, zoowel wat de geheele getallen als breuken betreft, bekend waren. Voor dezen schriftelijken arbeid werd den candidaten ruim één uur tijds gegeven. Het mondeling examen, dat voor eiken candidaat een half uur duurde, strekte zich uit tot de beginselen der spraakkunst, de maten en gewigten, de kennis der geneesmiddelen en bet lezen van geschreven en gedrukte recepten, waarbij tevens eenige vragen over het gereedmaken der recepten gesteld werden. Voor de praktische werkzaamheden werden den candidaten 3 recepten ter bereiding voorgelegd, waartoe het laboratorium vaneen der leden der commissie te hun-, ner beschikking was gesteld.

Sluiten