is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 6, 1869-1870, no 31, 28-11-1869

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FHAIMACEUTISCH WEEKBLAD

YOOR NEDERLAND,. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen,

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang franco per post, ƒ4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen, vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ft—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets, voor een N°. van het Blad. Brieven fran c o.

©e Jaargang'.

ZONDAG 38 November 1869.

N°. 31.

üededcclingcn. Ingezonden stukken. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft bepaald, dat de Commissie, aan welke is opgedragen het examineeren van hen, die eene acte van bevoegdheid als apotheker wenschen te verkrijgen, voor de tweede maal in het loopende jaar zitting zal houden op Dinsdag den 7den December e. k. en volgende dagen te Utrecht. Behalve de reeds in het vorig nommer vermelde adhaesie-adressen uit Utrecht, Ylissingen *), Ehenen en Hoogeveen ontvingen wij: een uit Zaandam met 11 handteekeningen (van geneeskundigen en apothekers), een uit Leiden met 12 handteekeningen, een uit Apeldoorn met 3 handteekeningen, een uit Sneek met 10 handteekeningen, een uit Dordrecht met 15 handteekeningen, een uit Dedemsvaart met 1 handteekening, een uit Burg op Texel met 1 handteekening; een uit Dokkum met 5 handteekeningen ; een uit Goes met 5 handteekeningen; een uit Zeist met 3 handteekeningen; een uit Zwolle met 12 handteekeningen; een uit Zutfen mot 9 handteekeningen; een uit Gorinchem met 1 handteekening; een uit Grave met 2 handteekeningen; een uit Makkum met 1 handteckening; een uit Botterdam met 46 handteekeningen; een uit Eraneker met 4 handteekeningen en een uit Steenwijk met 3 handteekeningen. Een collega merkt ons op, dat het zijns inziens niet ongepast zoude zijn het volgende bij het adres te voegen of in te lasschen: //Indien de geheime geneesmiddelen niet geweerd mogen //worden, wenscht de ondergeteekende, dat ZExc. het //daarheen leide, dat alsdan uitsluitend de apothekers, //alsmede de tot het afleveren van geneesmiddelen bevoegde //geneeskundigen ze mogen verkoopen, als tot het debi//teeren daarvan zoowel als van andere geneesmiddelen //gerechtigd zijnde.” ij verklaren echter, en wij meenen ook de meeste onzer collega s, dat wij onze handteekening niet zouden willen plaatsen onder den wensch, om geneesmiddelen te verkoopen, waarvan de samenstelling geheim is en voor wier deugdelijkheid wij dus niet kunnen instaan, hetgeen wij als eene eerste, zoowel wettelijke als zedelijke, verplichting voor den apotheker achten. AL. 3 YAN ART. 34 VAN WET IV. «Vergunning tot afwijking van art. 3, alin. 3, be//treftende de inrichting der bij de invoering dezer wet *) In het vorig nommer staat abusivelijk «Middelburg.”

//bestaande apotheken, kan door den inspecteur, op advies van den geneeskundigen raad, worden verleend.” Zooals bekend is, slaat deze vrijstelling enkel op het eerste gedeelte der 2de alinea van art. 3 , namelijk dat de apotheker zijn beroep niet anders uitoefent dan in een uitsluitend daartoe bestemd gedeelte vaneen huis. K, deelt ons twee opmerkingen mede, die hij omtrent deze wetsbepaling gemaakt heeft; en hij vraagt daarover ons gevoelen. I°. Bevreemdt het hem, dat deze vergunning zoo weinig wordt aangevraagd, terwijl het toch bekend is, dat in vele apotheken een bijhandel gedreven wordt, dien al. 3 van art. 3 in het algemeen verbiedt, maar waarop al. 3 van art. 34 uitzonderingen toelaat Wij meenen hierop te moeten antwoorden, dat, zoover ons bekend is, deze vergunning steeds is aangevraagd, waaide handel in bijzaken inde apotheken zelven eenigszins meer uitgebreid gedreven wordt. Het tegendeel zou dan ook trouwens aan de visiteerende commissiën gebleken zijn. Op vele plaatsen is de bijhandel in verfwaren enz, in apotheken zoodanig in verval en van zoo weinig beteekenis, dat de apothekers het niet de moeite waard geacht hebben eene openlijke aanvrage te doen voor het gering overblijfsel van vroeger dagen. Nog op andere plaatsen heeft men de apotheek geheel gezuiverd en den bijhandel tot afzonderlijke bewaarplaatsen verwezen. 3°. Is het hem opgevallen, dat de woorden in al. 3 van art. 34 verschillend worden opgevat. Zoo las hij inde notulen eener vergadering van den geneeskundigen Baad in Zeeland, dat de verleende vrijstelling was vervallen, omdat inmiddels de apotheker door zijn zoon opgevolgd was. In Gelderland daarentegen is vergunning verleend aan een apotheker , die na de invoering der nieuwe geneeskundige wetten eene apotheek had overgenomen. Bij het geven dezer vergunning werden echter de bewijzen geeischt, dat tijdens de invoering der geneeskundige wetten in die apotheek (dus door den voorganger) drogerijen waren verkocht. Welke meening is de ware? Moet het overnemen eener apotheek beschouwd worden als het openen eener nieuwe apotheek, zoodat de vergunning daarop in geen geval kan slaan, of wordt de vergunning verleend bepaaldelijk met het oog op de apothekerszaak, die reeds wordt uitgeoefend? Met andere woorden; Is de vergunning persoonlijk of zakelijk? Onzes inziens laat de redactie van het artikel geen twijfel over, of de bedoeling is eene blijvende vergunning met betrekking tot de zaak, -al gaat deze ook aan een anderen apotheker over. Wel