is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 6, 1869-1870, no 42, 13-02-1870

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACEUTISCH WEEKBLAD

VOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWÜRDA, Apotheker te Nijmegen,

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang franco per post, f 4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomeu te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur

te Nijmegen, vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ I. , elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van liet Blad. Brieven franco.

«e Jaargang. { ZONDAG 13 Febrnarl 1870. '

_ï!eiiei!cc!ingcsi. lagczondt-a stukken. DE GENEESMIDDELEN, BIJ, APOTHEEKHOÜDEND E GENEESKUNDIGEN AANWEZIG, NIET VOORKOMENDE OP DE DOOR DEN INSPECTEUR GEVISEERDE LIJST. Hertaalde malen heeft de lijst, bedoeld in al. 4. van art. 9 der wet regelende de uitoefening der geneeskunst, aanleiding tot op- en aanmerkingen gegeven en is de rechterlijke macht ingeroepen, om in dezen te beslissen. De geneeskundigen, bevoegd tot het afleveren van geneesmiddelen, staan als apotheekhoudenden inde meeste opzichten op eene lijn met de apothekers en wij hebben het dus van belang geacht onzen lezers nu ook weder kennis te doen nemen van de motieven eener rechterlijke uitspraak, waarvan het gevolg is geweest gedeeltelijk vrijspraak, gedeeltelijk veroordeeling vaneen geneeskundige. Wij besparen den lezers den omslaohtigen vorm, waarin als gewoonlijk het vonnis is vervat en bespreken daaruit alleen de hoofdpunten. Behalve de bijzonderheid, aan het hoofd van dit artikel geplaatst, vinden wij nog andere punten in het vonnis, die wij niet ondienstig ge acht hebben te refereeren en te commentariëeren. Een geneesheer is door de arrondissementsrechtbank te Sneek niet schuldig verklaard aan twee hem ten laste gelegde feiten, doch schuldig verklaard aan drie andere feiten en diensvolgens veroordeeld tot ééne geldboete van ƒ 10,00 en negen geldboeten, ieder van ƒ 3.00, met de bepaling dat elke boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe te zijn aangemaand, vervangen zal worden door gevangenisstraf van één dag, en inde proceskosten. De , feiten, waarvoor hij gedagvaard was, waren de volgende. Het eerste feit betrof //dat hij op'den 18den Augustus 1869 in zijne apotheek te Westhem, op de door den geneeskundigen inspecteur voor Friesland en Groningen geviseerde lijst van aanwezige geneesmiddelen, niet al de geneesmiddelen gemeld had, welke hij in zijne apotheek voorhanden had, en die meerdere geneesmiddelen niet sohouwbaar voorhanden had, althans dezelve voor de daartoe door den geneeskundigen inspecteur benoemde commissie uit den geneeskundigen raad niet sohouwbaar wilde stellen.” De geneesheer had namelijk in zijn voor apotheek dienend lokaal twee kasten of apotheken, maar verbood de inspectie der grootste kast. Toen echter later bleek, dat niet alle geneesmiddelen, op de door den inspecteur geviseerde lijst voorkomende, inde kleinste kast aanwe-

zig waren, vulde hij de ontbrekende, geneesmiddelen uit de grootste kast aan, maar gaf daarbij te kennen, dat hij alleen verlof gaf om de geneesmiddelen, inde grootste kast aanwezig, te onderzoeken //voor zooverre zij bevat waren in eene flesch, pot of lade, met groene etiquette voorzien.” Bij onderzoek bleek, dat sommige flesschen aan de eene zijde met eene groene, aan de andere zijde met eene blauwe etiquette waren voorzien, zoódat deze willekeurig schouwbaar of niet schouwbaar konden worden gesteld. De visiteerende commissie had zich bepaald tot het onderzoek der geneesmiddelen, waarvan het vat aan de voorzijde met eene groene etiqnet was voorzien. De rechtbank overwoog, //dat de lijst, bij art. 9 van Wet II bedoeld, bij de geneeskundigen inde plaats treedt der Pharmacopoea (een motief, dat reeds eenmaal ook den Hoogen Baad bij eene uitspraak heeft geleid). Diensvolgens behoeven // zij geene andere geneesmiddelen voorhanden te hebben dan die op de lijst voorkomen” (evenals de apotheker slechts verplicht kan worden volgens al. 1 van art. 4 van Wet IV de geneesmiddelen voorhanden te hebben, die inde Pharmae. Neerl. voorkomen).” Zijn evenwel inde apotheek der apotheekhondende geneeskundigen andere middelen aanwezig, dan moeten deze middelen volgens art. 6 van Wet IV het opschrift dragen van het voorschrift, naar hetwelk zij bereid zijn, omdat bij art. 21 van Wet IV dit art. 6 ook toepasselijk wordt verklaard op geneeskundigen, bevoegd tot het aflèveren van geneesmiddelen.” Naar onze bescheiden meening hadden hier door de rechtbank niet de woorden van al. 2 van art. 6, maar die van al. 1 van dat art. moeten aangehaald zijn, namelijk, //dat elk geneesmiddel den naam van het middel duidelijk leesbaar tot opschrift heeft.” De conséquente doorvoering der substitutie van //pharmacopoea” door //lijst” zou ten opzichte van al. 2 (aanwijzing op het opschrift, naar welk voorschrift de geneesmiddelen bereid zijn) hier tot eene inconsequentie leiden. Indien de leer der Sneeksche rechtbank opging, dan zou de geneesheer op de- geneesmiddelen, buiten de lijst voorhanden, het voorschrift van het geneesmiddel als opschrift moeten plaatsen, al behoort dat geneesmiddel tot dein de Pharm. Neerl opgenomene, terwijl een geneesmiddel buiten de Pharm. Neerl., op de door den inspecteur geviseerde lijst voorkomende, dat voorschrift op het opschrift zon kunnen missen ? Maar dan wordt immers de bedoeling van al. 2 van art. 6 voorbijgezien, duidelijk omschreven inde Memorie van Toelichting, namelijk // om ook bij geneesmiddelen buiten de Pharm. eene goede controle mogelijk .te maken.”