is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 7, 1870-1871, no 5, 29-05-1870

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACEIITISCH WEEKBLAD

YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen,

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan- \ delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang, ; franco per post, ƒ 4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgonomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen vddr Woensdag.

Prijs der Advertentiën: va» 1 tot 6 regels ƒ1.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van liet Blad. Brieven fran c o.

®e Jaargang-.

ZONDAG 39 Mei 1870.

iV0.5.

Mcdedcclingcn. Ingezonden stukken. ONBEVOEGDE UITOEFENING DER ARTSENIJBEREIDKUNST. F. A. Hamburg, een -werkman te Vlissingen, had tegen betaling van ƒ 1,35 afgeleverd drie fleschjes met door hem bereide geneesmiddelen, bestaande uit magnesia, rabarber, cremortart enz. Yoor de Arrondissements-Recbtbank te Middelburg gedaagd, werd de beklaagde, niettegenstaande het feit wettelijk bewezen waste zijn: //het uitoefenen der artsenijbereidkunst dooreen daartoe nietbevoegd persoon”, van alle rechtsvervolging ontslagen op grond, dat het bewezen verklaarde feit nergens bij de wet wordt verboden en strafbaar gesteld. De redactie van art. 1 was ook bier weder de réde tot vrijspraak, doch op geheel andere gronden dan bij vroegere gelegenheden. De rechtbank was namelijk van oordeel, //dat de woorden van de artt. 1 en 31 der wet zoodanig zijn geformuleerd, dat art. 1 moet worden beschouwd als eene lex imperfecta, zoodat door de toepassing de bekende rechtsregel wordt geschonden, dat de strafwet is van strikte uitlegging.” Geen wonder, dat de officier van justitie zich in cassatie voorzag tegen het vonnis van den Middelburgsohen rechter, gegrond op zulk een vreemde interpretatie der wet, waarbij alle rechten der wettelijk toegelatene en gevestigde personen worden voorbijgegaan. Indien deze beslissing juist is, zegt de offic. van justitie in zijne memorie van cassatie, dan wordt het doel, hetwelk de wetgever zich bij het maken der wet van 1 Juni 1865 heeft voorgesteld, geheel verijdeld, dan zijn alleen de bevoegde personen aan wettelijke voorschriften gebonden, terwijl al de onbevoegden blijven buiten controle der wet. De advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, Romer, kon zich met het betoog van den officier van justitie geheel vereenigen. De wet, zegt hij in zijne conclusie; bepaalt in het 3de lid van art. 1, welke personen tot uitoefening van de artsenijbereidkunst bevoegd zijn en hetgeen bij de samenstelling der wet, o. a. over de bevoegdheid der drogisten is gesproken, toont genoegzaam aan, hoezeer de wetgever alle onbevoegde personen heeft willen weren. Het bezwaar van den Middelburgscben rechter betreffende de lex imperfecta kan hij geenszins deelen. Waar de wet uitdrukkelijk verigeldt, wie bevoegd zijn, en in art, 3 nog eene formaliteit voorschrijft, vóórdat het beroep mag worden uitgeoefend, dan ligt daarin opgesloten dat geene andere dan bij de wet zelve aangeduide personen dat beroep mogen uitoefenen en niet anders

dan na het vervullen der formaliteit. Hij die het beroep uitoefent, zonder dat hij daartoe gerechtigd is, handelt dus in strijd met art. 1 der wet; hij overtreedt dat artikel, door iets te doen, waartoe hij volgens die bepaling niet bevoegd is, en elke overtreding wordt in art. 31 strafbaar gesteld. De Hooge Raad heeft zich geheel met deze zienswijze vereenigd. De uitdrukking //bevoegd tot”, kan volgens hem hier alleen verstaan -worden inden zin van „ gerechtigd tot”. Zij die de qualiteiten van //apothekers, hulp-apothekers, leerling-apothekers of geneeskundigen aan wie dit toegestaan is” niet bezitten, zijn niet gerechtigd tot uitoefening der artsenijbereidkunst. Oefenen zij die kunst desniettemin uit, dan plegen zij eene daad, waartoe hun bij gezegd artikel het recht is ontzegd en overtreden art, 31 der wet. Overeenkomstig de conclusie van den advocaat-generaal heeft de Hooge Baad het vonnis der Arrondissements-Eechtbank te Middelburg vernietigd, den gerequireerde schuldig verklaard aan overtreding van arte 1 der wet op de uitoefening der artsenijbereidkunst en te dier zake veroordeeld tot eene boete van ƒ 10, met bepaling, dat de boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden, na daartoe aangemaand te zijn, zal worden vervangen dooreen gevangenisstraf van één dag, en inde kosten. Na lezing der genoemde debatten zullen onze lezers het wel met ons eens zijn, dat hier vrij wat meer spitsvondigheid is noodig geweest om tot vrijspraak dan tot veroordeeliug te beslissen. DE BEËBDIGING TAN DEN APOTHEKER. In Pruisen is volgens schrijven van het ministerie voor geneeskundige enz. zaken van 19 December j.l. de beeediging der artsen opgeheven, daarentegen die der apothekers behouden. Op de klacht vaneen berichtgever, alsof hierin iets beleedigends en wantrouwends voor den apothekersstand gelegen is, geeft de Redactie der Pharm. Zeitung de volgende verklaring. //Het genezen van zieken is thans (in Pruisen) geheel vrijgelaten en daarmede de arts aan de ambtelijke controle onttrokken. Alleen dan, wanneer hij eene zoogenaamde misgreep inde kunst begaat, wordt hij even goed gestraft als iedere kwakzalver of als elkeen, wien men eene benadeeling der gezondheid of het in gevaar brengen vaneen menschenleven door onvoorzichtigheid kan bewijzen. De uitoefening der pharmacie' daarentegen blijft een ambtelijk