Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deugdelijk zijn, art. 24 der wet IV geeft ons recht om te beweren, dat ook deze geneesmiddelen door de commissie uit den geneeskundigen raad moeten worden onderzocht, maar we vragen, wat heeft de visiteerende commissie te doen, indien zij onder deze geneesmiddelen ondeugdelijke aantreft en de geneesheer of de apotheker, wiens winkel gevisiteerd wordt, niet alleen weigert dit te erkennen maar ook om ze door deugdelijke te vervangen P Art. 26 en 32 van Wet 1Y spreken alleen van geneesmiddelen, die voorhanden moeten zijn, dus enkel van de geneesmiddelen, voorkomende op de lijst bij geneeskundigen of inde pharmacopoea bij apothekers ? De handen der visiteerende commissie staan hier dus verlamd, tenzij zij art. 6 wil inroepen en bewijzen, dat het geneesmiddel niet beantwoordt aan het opschrift, dat bijv. brometum kalicum, die jodetum kalicum bevat, geen brometum kalicum is, zooals het opschrift luidt enz. Tot dergelijke spitsvondigheden zal zij echter niet gaarne hare toevlucht nemen, temeer, omdat alsdan de straf zou vallen onder de algemeene bepalingen, dat elke overtreding van de voorschriften der wet wordt gestraft met eene boete van ƒlO tot f 100 (art. 31), eene straf in geene vergelijking met de boete van f 3 op de ondeugdelijkheid vaneen verplicht geneesmiddel gesteld. Het ligt wel inden aard der zaak, dat de geneesheeren in het belang hunner patiënten gaarne hunne geneesmiddelen, hetzij zij al dan niet op de lijst voorkomen, bij de visitatie zien onderzocht, omdat dit hun zelven zekerheid verschaft, maarde uitspraak van den Hoogen Eaad wordt een gevaarlijk wapen inde hand van kwaadwilligen of zorgeloozen, om een tal belangrijke geneesmiddelen aan een afdoend onderzoek te onttrekken.

OPMERKINGEN VAN PHARMACBUTISCHEN AARD. Het Jannari-nommer van Haaxman’s Nieuw Tijdschrift voor de Fharmacie in Nederland bevat van de hand des Eedacteurs eenige opmerkingen van echt practischen pharmaceutischen aard, die plaatsgebrek ons tot heden verhinderd heeft over te nemen. Bijdragen tot de receptuur. Een liuimentum uit 12 gram chloroform en 80 gram glycerinum cum amylo leverde moeielijkheid op, wanneer uit het glycerinum cum amylo, ten gevolge der verwarming voor de bereiding, genoegzaam al het water was uitgedreven. Na bijvoeging van 4 gram water bij de voorgeschreven hoeveelheid glycerinum cum amylo gelukte het echter H. de voorgeschreven hoeveelheid chloroform er grootendeels onder vermengd te krijgen. Om een gelijkmatig mengsel te verkrijgen en zoo min mogelijk chloroform te verliezen, wordt door H. aanbevolen het glycerinum cum amylo, onder toevoeging van de genoemde hoeveelheid water bereid, na bekoeling ineen fleschje met wijden hals te doen en de voorgeschreven hoeveelheid chloroform, vooraf in een ander fleschje afgewogen, onder vlijtig omroeren met een glazen staafje bij kleine gedeelten er onder te vermengen. Men zorge geene nieuwe hoeveelheid chloroform toe te voegen, voordat de eerst bijgevoegde gelijkmatig met de glycerine-stijfsel vermengd is. Er zondert zich altijd chloroform af. Naar aanleiding der kleurverandering eener mixtuur uit sulphas chinicus, acidum tannicum en mucilago gummi arabici (door ons vermeld in N°. 28 van den loopenden Jaargang), maakt H. melding van eene mededeeling, hem vanwege den heer Eobertson geworden, dat eene mixtuur

uit sulphas chinicus, acidum tannicum, gom en water, bij de aflevering volkomen wit, bij het staan grijs was geworden. De tot bereiding gebezigde gom was volkomen ijzervrij bevonden, zoodat hier noodwendig moet gedacht worden aan eene gedeeltelijke omzetting van het acidum tannicum door inwerking van sulphas chinicus onder den invloed der dampkringslucht. Dewijl de geneesheer, die het recept had voorgeschreven, den patiënt had gezegd, dat naar zijn oordeelde mixtuur wit moest blijven en dit verder tot aanmerkingen van den patiënt tegenover den apotheker had aanleiding gegeven, levert het geval tevens eene bijdrage tot de opmerking, dat de geneesheer niet te lichtvaardig zijne meening bij het ziekbed uitspreke over de hem voorkomende verandering vaneen door hem voorgeschreven geneesmiddel, maar liever vooraf de kwestie aan het oordeel of het onderzoek van den pharmaoeut onderwerpe. Nog eene andere kleurverandering wordt medegedeeld van eene mixtuur uit acidum gallicum, nitris aethylicus cum alcoholen, acetas aethylicus en water. Dit mengsel werd spoedig, nadat de spiritus nitri dulcis was bijgevoegd, donkerbruin. Hier zullen dus wel de spiritus nitri dulcis en het acidum gallicum wederkeerig ontledend op elkander ingewerkt en de donkere kleur te weeg gebracht hebben. Men zij, eindigt de heer H., er dus vooral op voorbereid, dat samengestelde mixturen zoowel met acidum tannicum als met acidum gallicum door enkele der bijzondere ingrediënten lichtelijk van aard veranderen en een ander uiterlijk aan het geneesmiddel kunnen mededeelen dan men a priori zou verwachten.

Schimmelen van extractum cort. peruviani fusci. Het is den heer H. bij ondervinding gebleken, dat het extractum chinae veel minder dan gewoonlijk aan schimmelen onderhevig is, indien men het op de volgende wijze bereidt. Men mengt het grof poeder van kina met koud water tot een dunnen brij, laat gedurende tweemaal 24 uren staan, perst uit en dikt het even bezonken vocht beneden 100° een weinig in, waarna men op een waterbad tot stroopdikte indampt. Inmiddels wordt de perskoek nog tweemaal met eene genoegzame hoeveelheid heet water gedurende een kwartier uur uitgekookt en de uitpersvoohten na zachte verwarming op het open vuur, doch beneden 100° tot een kleiner volumen gebracht en later op een waterbad eveneens tot stroopdikte uitgedampt, waarna het product der koude trekking er onder geroerd en alles tot een dik extract gebracht wordt. Het zou den heer H. aangenaam zijn te mogen vernemen of ook andere collega’s dezelfde ondervinding omtrent het minder onderhevig zijn aan schimmelen van het extract, dat op genoemde wijze bereid is, zullen opdoen. Unguentum picis. Unguentum elemi. Om te verhinderen, dat bij de bereiding van unguentum picis het pik zich bij het ondersmelten, zelfs bij aanwending eener geringe warmte, in taaie draden en bonkjes vereenigt en moeilijk tot smelting is te brengen, zooals somtijds het geval is, laat de heer H. het pik en de hars, beide tot een grof poeder gewreven, tezamen bij zachte warmte smelten, daarna het was, en voegt er eindelijk de olie bij, waarna de gesmolten zalf wordt doorgegoten. Tot vermijding deizelfde bezwaren smelt men bij de bereiding van unguentum. elemi de resina elemi bij zachte warmte inden terpentijn en voegt daarna de overige ingrediënten bij. Tannas chinicus. Bij de bereiding van tannas chinicus maakt H. ge-

Sluiten