Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACEIITISCH WEEKBLAD

YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE VAN R. j. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. B, CENTEN te Amsterdam, Prijs per Jaargang, fr an c o per post, f 4.50.

| Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te i zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur i te Nijmegen vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒl—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

Se Jaargang.

ZONDAG 33 April 1871.

S°. 5».

Slcdedcclingen. Ingezonden stukken. De hoogleeraren P. J. van Kerckhofï te Utrecht en C. A. J. A. Oudemans te Amsterdam, president en secretaris der staats-commissie voor eene nieuwe pharmacopoea, zijn eergisteren bij den minister van binnenl. zaken toegelaten, om ZExc. den arbeid der commissie te overhandigen. (Handelsblad.) Aan het departement van oorlog is eergisteren aanbesteed de levering van: 390 K. G. sulphas chinicus basicus, ten dienste van ’s rijks magazijn van geneesmiddelen te ’s Hage, en zulks in twee perceelen, ieder van 145 K. G. Voor de beide perceelen was de minste inschrijver de heer Gustav Briegleb, te Amsterdam, als: voor perceel 1 a ƒ 136.47; perceel 3 a ƒ 148.47, alles per K. G. (Handelsblad.) Geachte Redacteur, Naar aanleiding vaneen artikel inde Geneeskundige Courant van 13 Maart j. 1. handelende //over de werking van het ontsmettingsmiddel van Süvern,” is ’t misschien niet onbelangrijk het een en ander vaneen onderzoek mede te deelen omtrent genoemde methode, mij opgedragen door den heer Linse, directeur der gemeentewerken alhier. De vraag in quaestie was aldus geformuleerd. Moet het uitpompen van het water uit de privaat-putten van het Weeshuis inde aangrenzende slooten schadelijk worden geoordeeld? hetgeen door mij in bevestigenden zin werd beantwoord. Immers de groote hoeveelheid zwavelwaterstofgas, zonder nog het gehalte van organische, stikstofbevattende zelfstandigheden in rekening te brengen, rechtvaardigde dit oordeel. Daarna werd mij de vraag gesteld of bovengenoemde uitpomping zonder nadeelige gevolgen kon plaats hebben, na eene voorafgaande zuivering volgens de methode van Süvern. En hiermede is de aanleiding tot dit onderzoek vermeld. Het mengsel tot zuivering door mij aangewend, bestond met eenige wijziging van het inde Geneesk. Courant aan – gegevene, uit: 100 gram. calciumoxyde, 300 // water, 7a 8 // steenkolenteer,

die met elkander vermengd en tot 80° a 90° C. verwarmd, werden, waarna 70 grm. gekristalliseerd of 33 grm. water vrij magnesiumchlorid (MgCls), opgelost in 300 gram water, bijgevoegd, en daarna tot een liter aangevuld werd. Van deze vloeistof zijn 10 tot 30 c. M3 voldoende, om 5 tot 10 liter vuil water geheel helder te maken. Om te onderzoeken of de ontsmettingsmassa voldoende is, moet volgens//de bouwkundige Bijdragen (April 1869), uitgegeven door de maatschappij tot bevordering der Bouwkunst” de heldere vloeistof na bijvoeging vaneen paar droppels barytwater geen neerslag meer geven. Het eerst groenachtig, troebele water, door de, op bovengenoemde wijze bereide, vloeistof gezuiverd, werd volkomen bevrijd van zwavelwaterstofreuk en had daarentegen die van teer aangenomen. Verder zag het water boven het scherp afgescheiden zwaar bezinksel er helder lichtgeel van kleur uit. De ongezuiverde, op een waterbad verdampte vloeistof bevatte: op 100 c M3 0.3 gram vaste stof waarna door gloeiing de bepaling van de organische stof verkregen werd. Deze bedroeg: op 100 c. M3 0.33 gram. Het gezuiverd water op dezelfde wijze behandeld bevatte: op 100 cM3 1.08 grm. vaste stof en // // // 0.157 // organ. „ Het hooger gehalte aan vaste stof moet toegeschreven worden aan de overmaat van het bijgevoegd zuiveringsmiddel, terwijl uit de geringere quantiteit organische stof blijkt, dat de methode Süvern in zooverre aan het doel beantwoordt. Het qualitatief scheikundig onderzoek deed de volgende anorganische stoffen in meerdere of mindere mate onderkennen: kalk, magnesia, ammoniak, kali, chloor en salpeterzuur. Het op een waterbad uitgedampte residuum, geel van, kleur, liet, op platinablik verbrand, eene zwarte kool achter, die, aan grootere hitte blootgesteld, zich oxydeerde en een wit overblijfsel achterliet, hetwelk alcalisch reageerde. Eene tweede proef in eene glazen buis met sodakalk verhit, deed ammoniak onderkennen, ’t welk duidt op stikstofbevattende organische sloffen. Het gele residuum met absoluten alcohol behandeld, liet na verdamping van den alcohol, eene olieachtige, bruingekleurde, onaangenaam riekende stof achter, die, met een paar droppels water bevochtigd, onder den microscoop

Sluiten