is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 13, 1876-1877, no 49, 08-04-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het hierboven gesprokene resumeerende, komen wij tot de slotsom, dat het Pensioenfonds minstens een 50 jaar te laat wordt opgericht, en thans een vereeniging zal zijn, die niet aan ’t doel zal kunnen beantwoorden, en dus den weg zal gaan van zoovele maatschappijen, vennootschappen en vereenigingen, die na eenigen tijd bestaan te hebben, in elkaar vallen als een kaartenhuis. En het Weduwenfonds zou naar ons gevoelen een middel kunnen worden, om huwelijken en daardoor armoede inde hand te werken. ü dank zeggende voor de plaatsruimte hebben wijde eer te zijn : Uwe dw. dienaren. Ad. Honig, Hz. Breedstraat No. 4. Leiden, 3 April 1877. H. Edtger Schutte. Nieuwe Eijn No. 15. Adsistenten N. W. Wij ontvingen nog onderstaande, namen als blijken van adhaesie; C. N. Woutersen, apotheker en G. Lunenberg, adsistent O. W. bij genoemden, te Kampen; T. Eeen Cannegieter, apotheker te Yeendam (opvolger van J. T. de Hosson aldaar); G. L. Schaumlöffel, adsistent te Amsterdam; A. H. Nijdam en G. van Santé Bz., beiden apothekers te Deventer; W. P. Pitlo, apotheker te Arnhem; N. J. Schermer en Zoon, apothekers te Amsterdam; J. M. Eeese, geëxamineerd apotheker, firma Schalens en Eeese te Meppel; L. O. W. Cocx, apotheker Ziekenhuis Botterdam; J. van Loenen J.Gzn., adsistent O. W. bij de heeren L, van Essen en Zoon, apoth. te ’s Gravenhage; H. Vechtmann L. A. N. W. bij de heeren J. Visser en Zoon te ’s Gravenhage; H. L, Anemaet, gehuwd adsistent O. W., W. Buijs, adsistent N. W.; J. H, de Eeus, adsistent N. W. bij de heeren Ansingh en Mesman; J. N. Julsing N, W. bij de heeren Bruinvis en Bakker; D. H. van Ingen, gehuwd adsistent N. W. bij den heer Conijn Az.; J. H. Habicht Cz. O. W. bij den heer J. J. Molenaar; K. E. van Ossenbruggen, adsistent O. W. bij den heer J. Wennen, stads-apotheek, allen te Alkmaar; P. Brinkman, adsistent O. W. bij den heer M. B. Bomenij, apoth. Hartenstraat te Amsterdam; D. van der Gon, apoth. te Vlaardingen; W. Kuitenga, apoth. en T. Beitschut, adsistent bij genoemden, te Harlingen; H. Kolkmeijer, A. van Koot, M. G. Buijn, J. J. Mirani en J. J, P. van Zon, adsistenten bij de firma N. J. Schermer en Zoon, apoth. te Amsterdam. Weledele Heer! Dezer dagen werd mij dooreen vreemdeling het volgende voorschrift uit Londen, voorzien vaneen aantal buitenlandschc stempels, waaronder er echter één was vaneen mijner collega’s te dezer stede, ter gereedmaking aangeboden: Jé: Chinina Disulph: scr. 1, Acid. Sulph. dil. drachm. 2, Aether Chlorid. drachm. 2, Aq. font. unc. 8. ' Piat mixt. S. Cochl. 2 ter de die. Miss T ~.. Ik berekende hem daarvoor ƒ 1,20, waarlijk toch voor den tegenwoordigen stand der kinine niet te veel, doch moest tot mijne groote verwondering van hem de aanmerking hooren, dat hij 3 dagen geleden bij een mijner collega’s (de naam werd genoemd doch was reeds door het stempel bekend) er slechts ƒ 0,80 voor betaald had. Ik leverde het echter volgens mijne gewoonte voor niet minder af. Gaarne zoude ik hierover uwe zienswijze alsmede taxatie willen vernemen. Botterdam, 29 Maart 1877. J, C. VAN NOOTEN. Mijne berekening zou deze zijn: 1,3 gram Sulph. chinin. ... ƒ 0.65 8 // Acid. sulphur. dil. . . // 0.05 8 // Aether muriat. alc. . // 0.20 Gereedmaken 3de cat n 0,20 Plesch „ 0.125 ƒ 1.225 over te brengen tot ƒ 1.25. Dus overeenkomstig de berekening van den geachten inzender- Red.

Uit het hier volgend adres, overgenomen uit de Geneesk. Courant van 1 April, blijkt, dat het Haagsche departement der Ned. Maatschappij ter bevordering der Pharmacie zich op een geheel vrijzinnig standpunt betreffende de geheimmiddelen gewend heeft tot hen, die onze natuurlijke bondgenooten zijn in het handhaven van de waarde der Pharmacie en van haren arbeid, maar zich niet altijd als zoodanig betoonen, namelijk de geneeskundigen. Moge het strekken, om hen voor de goede zaak geheel te winnen. Aan het Hoofdbestuur en aan de afdeeling ’s Gravenhage der Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst. ’s Gravenhage, 21 Dec. 1876. Het departement ’s Gravenhage der Maatschappij tot bev. van Pharmacie heelt in zijne jongste vergaderingen overwogen, welke middelen kunnen worden aangewend, om reclame op pharmaceutisch gebied tegen te gaan. Onder reclame verstaat het Departement, even als de algemeene vergadering der Maatschappij, die in Amsterdam werd gehouden den 22 Juni 1876: //ledere openbare aankondiging van geneesmiddelen die ten doel heeft deze ter bestrijding van bepaalde ziekten of dooreen beroep op deze of geene autoriteit aan te bevelen of wel door prijsopgave als anderszins kennelijk een ergerlijke concurrentie op pharmaceutisch terrein tracht uitte oefenen.” Het Departement acht dergelijke reclame ongepast, en schadelijk voor den bloei der Pharmacie. De Pharmacie behoort op haar eigen terrein te blijven en geene middelen tegen bepaalde ziekten aan te prijzen, vooral niet zulke middelen, waarvan de samenstelling den Pharmaceut onbekend is, en door chemisch onderzoek dikwijls niet voldoende kan worden geconstateerd, middelen die (getuige een proces tegen den apotheker Grimault tè Parijs gevoerd) somtijds niet bevatten wat er wordt vermeld. De Pharmacie behoort zich harer eigen kracht en kennis bewust te zijn, en zich daarom niet te beroepen op autoriteiten tot aanprijzing vandoor haar uitgevonden of bereide middelen middelen die bij den verkoop toch altijd ten deele aan de controle der bedoelde autoriteit ontsnappen moeten. De Pharmacie behoort hare eigene verheiïing te bevorderen door de eenheid harer leden, waardoor van zelf alle concurrentie door verlaging van prijzen en openlijke aankondiging daarvan wordt uitgesloten. Het Departement ’s Gravenhage meent Uwe vergadering daarop te mogen opmerkzaam maken, en de medewerking van de leden Uwer Maatschappij te mogen inroepen tot bestrijding van het bedoelde kwaad. Het is duidelijk, dat de aanprijzing van middelen tegen bepaalde ziekten ook in het nadeel van den medischen stand is, maar ook al ware dit niet het geval, dan nog mag de pharmacie verwachten dat de medici hare pogingen tot verheffing van haren stand zullen willen steunen, te meer daar deze samenvallen met pogingen sints eenigen tijd door de medici zelven hunnertijds tot soortgelijk doel aangewend. Het Departement mag niet verzwijgen, dat door zulke samenwerking zeer bepaald zou worden uitgesloten: het voorschrijf ven van geheimmiddelen door den arts zelven, gelijk helaas niet zelden geschiedt. Hier aan behoorde, naar zijne bescheideue meening, een einde te komen. Wanneer hier sprake is van het tegengaan van reclame, en wel van reclame voor geheimmiddelen in het bijzonder, dan dient hier tevens te worden opgemerkt, dat de Nederl. pharmacie dien strijd niet voert tegen den vorm, waarin die middelen worden geleverd, maar tegen het geheim, waarin de samenstelling wordt gehuld. De hransohe pharmaceuten, die deze middelen aan den man brengen, verdedigen hunne handelwijze door aan te voeren, dat de pharmaceut, uit den aard zijner kennis, ook als scheikundige, de meest bevoegde is om den vorm vast te stellen, waarin geneesmiddelen kunnen worden toegediend en welke vorm dikwijls een gunstigen invloed heeft hetzij op de opneming van het middel, hetzij op de bewaring daarvan gedurende langen tüd zonder bederf. Daartegen evenwel is de oppositie niet gekant, maar alleen tegen het geheim der samenstelling en tegen het gemis aan waarborgen dat zulke middelen, bestemd om te worden afgeleverd en gebruikt buiten de controle van den arts, inderdaad bevatten, wat zij heeten te bevatten. Hieruit volgt, dat zoogenaamde specialiteiten, waardoor een bekend en nuttig middel wordt gebracht in eenen nuttigen vorm, zooals bijv. de mosterdcompressen en dergelijken, door de Ned. Pharmacie niet worden gewraakt, zoolang slechts de samenstelling door scheikundig onderzoek kan worden gecontroleerd. Het Departement vleit zich, dat Uwe vergadering in hoofdzaak met deze beschouwingen zal kunnen instemmen en pogingen zal willen aanwenden om het beoogde doel te helpen bereiken. Namens het Departement: de Secretaris J. Th. MOUTON.