is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 13, 1876-1877, no 50, 15-04-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pensioen- en Ondersteuningsfonds voor Apothekers-assistenten. Op voorstel van den Heer Thieme wordt bepaald, dat aan de leden de meest mogelijke waarborgen behooren te worden gegeven voor eene soliede belegging der gelden, die aan het fonds behooren, en dat daarvoor niet anders zullen mogen worden aangekocht dan Certificaten Nederlandsctie Werkelijke Schuld. De Nederlandsche Bank wordt aangewezen als bewaarplaats voor het kapitaal van het fonds. Alsnu stelt de Voorzitter voor, over te gaan tot het benoemen eener Commissie, die zich zou willen belasten met het opmaken der Statuten, en die Commissie te doen bestaan uit twee Apothekers en twee Assistenten. Worden benoemd de Heeren P. Kruijsse, Jacobus Polak en P. L. Marnette, allen te Amsterdam. Op voorstel van den Heer Mouton wordt ondergeteekende uitgenoodigd op te treden als vijfde lid inde Commissie, Al de genoemde Heeren verklaren zich bereid het hun opgedragen mandaat te willen aanvaarden, en zullen pogingen aanwenden onder de Amsterdamsohe Heeren Assistenten iemand te vinden, die genegen is de Commissie te completeeren. De Heer Prins verklaarde daarvoor te moeten bedanken, als hebbende tegen een pensioenfonds gestemd. (Met het oog op eene taak, die voortdurende bespreking vereischt en het bezwaarlijke van groote afstanden, scheen het doelmatig, de Commissie op één lid na, uit Amsterdomsche Heeren te doen bestaan.) De Eedacteur en de Uitgever van het Pharm. Weekblad stelden dat orgaan beschikbaar voor alle mededeelingen, die de Commissie mocht noodig achten in het belang van het plan. Dit vriendelijk aanbod werd met erkentelijkheid aangenomen. Op de hem eigene heusche wijze bedankte de Heer Mouton ook uit naam der aanwezigen den Heer Thieme voor zijn initiatief, en den Voorzitter voor den tact en den ijver, waarmede ZEd. de vergadering wel had willen leiden. Nadat de heer Opwijrda nog een hartelijk woord tot afscheid had gesproken, ging de vergadering, die zich gekenmerkt had door groote belangstelling in het voorgestelde plan en toewijding om het bewuste doel te bereiken, zeer voldaan uiteen. Geen enkele wanklank werd vernomen. Ondergeteekende wenscht dit rapport niet te sluiten zonder een woord van oprechte dankbaarheid voor de welwillendheid, waarmede zijn voorstel is bejegend, en voor den ernst, waarmede het is besproken. Eindelijk blijft hem slechts over verschooning te vragen voor de onnauwkeurigheden, die zijn verslag wellicht ontsieren. Ovemen, 9 April 1877. P. J. van Eldik Thieme. Hoewel nog niet voltallig, noodigt de Commissie, belast met het opmaken der statuten voor het op te richten Pensioen— en Ondersteuningsfonds voor apothekers-assistenten, allen, die tof dit fonds wenschen toe te treden, uit, daarvan per briefkaart aan eender ondergeteekenden te doen blijken vóór 1 Juni a.s. De Commissie acht deze oproeping noodig met het oog op de te maken becijferingen. Als grondslag wordt aangenomen bet verslag van het verhandelde inde bijeenkomst te Utrecht, te vinden in het Ph. Weekbl. van 15 April. Beleefdelijk wordt aangedrongen op duidelijke opgaven van naam en woonplaats en als hoedanig men tot het fonds wenscht toe te treden. De Commissie voornoemd : P. Keuijsse, Apotheker, Haarlemmerdijk te Amsterdam. Jacobus Polak, Apotheker, Weesperstraat te Amsterdam. P. L. Maenette, Assistent bij den heer B. N. van Olde, Apotheker, Utrechtschestraat te Amsterdam. P. J. van Eldik Thieme, te Overveen bij Haarlem. Tot aanvulling van bovenstaand Verslag laten wij hier de woorden volgen, door den Heer Opwijrda bij het begin der bijeenkomst gesproken: //M. H. Vergunt mij met een kort woord deze bijeenkomst in te leiden. Ik vertrouw, dat gij het niet aanmatigend geacht hebt van mij, die elke week tot u spreekt, u daartoe uitte noodigen. /al plan gelukken, hetwelk inde laatste weken onze aandacht bezig hield, dan is eene onderlinge bespreking hoogst noodig, waarin elk zijn gevoelen openbaart en waarin op de meening der meerderheid vaste grondslagen kunnen gebouwd worden. Die het doel wil, moet ook de middelen willen, en de onderlinge wisseling van gevoelen is het eerste middel. Ik beken guluit, dat ik vroeger niet zeer met het plan ingenomen was. Ik zag niet alleen de groote bezwaren voor de oprichting vaneen fonds in, als waartoe wij zijn bijeengekomen, maar ik meende ook, dat er vele andere gelegenheden bestaan, om zich voor zorgen inde toekomst te vrijwaren, namelijk de levensverzekering-maatschappijen. Bij later onderzoek is mijne meening dienaangaande geheel veranderd, want ik bemerkte dat'

bij elke andere gelegenheid grooter geldelijke offers van de betrokken personen gevraagd worden, dan het honorarium van den adsistent-apotheker kan dragen. En toen na het geheel belangeloos initiatief van den heer van Eldik Thieme zich zoovele stemmen van belangstelling verhieven, niet alleen van adsistenten van O. en N. wet maar ook van gevestigde apothekers, begreep ik het groote belang, de uitgestrekte beteekenis der zaak, vatte ik haar met alle macht aan en wensch ik daaraan de meeste toewijding te geven. Ik heb dit reeds getoond door mijne betoogen in het_ Weekblad, ik hoop dit te blijven doen bij en na deze vergadering. M. H. De betrekking van adsistent inde apotheek is van geheel bijzonderen aard en kan niet op ééne lijn gesteld worden met die van adsistenten in handelszaken of op kantoren. Vooral door de wet van 1865 heeft de betrekking eene belangrijke beteekenis verkregen. De wetgever erkende de rechten van de adsistenten O, W. en riep onder het nieuwe regime een stand in het leven, al is het dan ook onder de verkeerde benaming van //leerling-apotheker”, op welken zij geen geringe verantwoording legt. Hij noemt deze personen onder de weinige bevoegden, die onder bepaalde voorwaarden de artsenijbereidkunst mogen uitoefenen en hij stelt ze verantwoordelijk voor hunne werkzaamheden. In welke betrekking der maatschappij ook, vindt men personen, die door gemis aan de noodige geestesgaven of aan kapitaal niet tot zelfstandigheid kunnen komen, maar in eene ondergeschikte betrekking moeten blijven verkeeren. Indien die ondergeschikte betrekking slechts van dien aard is, dat men er ten nutte der maatschappij in werkzaam kan zijn en dat men daarin een bron van bestaan, ook des verlangend voor een o-e-zin, vindt, is er volstrekt geen reden, om met ontevredenheid het onmogelijke te blijven eisohen. Nuttig kan de betrekking van adsistent-apotheker zonder bedenken genoemd worden; zonder haar is die van apotheker een slavenwerk, met haar vormt zij een samenstel van de waardigste elementen. Elk rechtgeaard apotheker schat den braven en nauwgezetten adsistent hoog, en hoe meer het publiek van de groote verantwoordelijkheid van die betrekking overtuigd wordt, des te hooger zal zij in zijne achting rijzen. En wat nu de finantieele positie betreft, wij meenen reeds te mogen wijzen op het verschijnsel, hoe de honorariën na de wet van 1865 gestegen zijn; ik wil daarbij zelfs erkennen, dat de finantieele toestand nog verbetering eischt, maar ik moet daarbij opmerken, dat de pharmacie in Nederland nog lang niet is wat zij wezen moet. Wanneer een stand gedurende 50 jaar intellectueel en finantieel achteruitgegaan is door het veel te groot aantal personen, die bij de te geringe eischen tot apotheker bevorderd zijn, dan is er geen denken aan, dat dit ineen dozijn jaren verbeterd kan worden, en zullen wij daarvoor inde toekomst ons eene grootere tijdruimte moeten voorstellen. Maar is dat een motief, om aan te raden, zooals sommigen doen, de carrière te verlaten, waarin men getreden is? Ik meen juist het tegendeel. Wil men steeds van carrière veranderen, omdat men daarin niet alles vindt wat men zocht, ik vrees dat men zich dan wel voortdurend van Pontius naar Pilatus vice versa zal blijven begeven. Verbetering van den toestand, dit moet de leuze zijn en daaraan wenschen wij deze bijeenkomst te besteden, niet dooreen onbereikbare hersenschim voor te spiegelen maar door gelegenheid te geven tot „zelfhulp”, gesteund door de personen, met wie men het naast in betrekking staat. Zulk een fonds kan tevens den band nauwer toehalen tusschen apothekers en adsistenten, een band, dien zij beiden noodig hebben, de eerste om met vrucht de kunst uitte oefenen, de tweede om hun daarin met zelfvoldoening behulpzaam te zijn. Bij het gemis aan vaste fondsen, aan kapitaal, is het voor den adsistent eene behoefte bij ziekte, ongeval en ouderdom op onderstand te kunnen vertrouwen, niet door oproepingen tot liefdadigheid, die alleen in hoogen nood gewettigd zijn; verder is het vooruitzicht op eene verbetering inden toestand najaren werkzaamheid een prikkel tot ijver en volharding; eindelijk verligt het de zorg voor den huisvader, dat hij weet, wanneer hij aan zijn werkkring door den dood wordt ontrukt, dat diegenen, welke hem zoo na aan het hart liggen, niet geheel hulpeloos achterblijven. Ziedaar, wat wij wenschen te bereiken. Ik zeide inden beginne: die het doel wil, moet ook de middelen willen. Uwe opkomst getuigt, dat ook gij dat wilt. Laat ons thans punt voor punt nagaan, wat er in dezen te doen valt. Beslisse de meerderheid, wat men verlangt. Om echter deze beraadslagingen met orde te doen geschieden, zal het noodig zijn, dat gij thans iemand aanwijst, aan wien de leiding dezer bijeenkomst opgedragen wordt en aan wien tevens iemand toegevoegd wordt, om de hoofdpunten op te teekenen. Aan het einde der bijeenkomst zou dan eene commissie kunnen benoemd worden, bijv. uit 3 apothekers en 3 adsistenten, aan wie wordt opgedragen op grond der vastgestelde punten de statuten op te maken en die tevens verzocht wordt, indien het fonds tot stand komt, het eerste jaar het bestuur uitte maken en correspondenten aan te stellen. Voordat ik mijn woord tot inleiding eindig, acht ik mij