Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slijm tot een deeg vermengd en ineen bedekten kroes een half uur lang gegloeid, of ook koolzure bariet, strontiaan of kalk met het halve gewicht zwavel ineen bedekten kroes gegloeid. Als voorschrift voor een alcalischen violetten inkt wordt door Hager opgegeven: carbonatis natrici cryst. gramm. 30, aquae fervidae gramm. 1300. Solutione peracta, admisce extracti campechiani gramm. 30, antea in pulverem redacta. Inter agitationem, calore adhibito, fiat solutio, cui addantur bichromatis kalioi gramm. 5, soluta aquae communis gramm. 100. Mixturam bene agitatam sepone per aliquot horas, postremo decantha. Om op eene gemakkelijke wijze de verbranding van magnesium in koolzuur te vertoonen, plaatst men eene gewone sodawater-syphon omgekeerd op een ijzeren ring en voorziet de uitstroomings-opening van eene caoutchoukbuis. Deze buis wordt aan eene glazen buis geschoven, waaraan eene kurk steekt, over welke een gewoon lampeglas wordt gestolpt. Door drukking met de hand kan men verschillende hoeveelheden koolzuur in het lampeglas leiden, waarin men den gloeienden magnesium draad dompelt. Men raakt daarmede eenige malen de wanden van den cilinder aan, waarbij magnesia en kool zich in zoo groote hoeveelheid aan het glas afzetten, dat men niet noodig heeft de magnesia eerst met zoutzuur zichtbaar te maken, zooals gewoonlijk wordt aangegeven. Mangaan komt volgens Vogel zeer verspreid inde natuur voor, al is het dan ook, dat het telkens slechts in kleine hoeveelheden wordt aangetrofien. Men vindt het in ijzerertsen, kleisoorten, zelfs in gekristalliseerde ruwe soda, ja ook in carrarisch marmer. (Dat het mangaan ook in plantenasschen en soms in eene niet geringe hoeveelheid wordt aangetrofien, is ons van eene andere wetenschappelijke zijde verzekerd). Om het mangaan in al deze zelfstandigheden gemakkelijk aan te toonen, brengt men ineen reageerbuisje eenige droppels zwavelkoolstof, voegt hierbij eenige droppels eener volkomen zuivere oplossing van jodetum kalicum en vervolgens een weinig verdund scheikundig zuiver zoutzuur. Voegt men hierbij eene zelfstandigheid, die de geringste hoeveelheid mangaanperoxyde of vaneen mangaanzuur zout bevat, dan neemt na het omschudden de laag zwavelkoolstof eene violette of roodachtige kleur aan. Zekerder en nog eenvoudiger is de methode tot herkenning voor eenige jaren door Böttger opgegeven. Men brengt eenige korrels scheikundig zuiveren ohloras kalicus ineen reageerbuisje door verhitting tot smelting en voegt dan het lichaam, hetwelk men op een mangaangehalte wil onderzoeken (hetzij het organisch of anorganisch is), in zeer kleine hoeveelheden in hel gesmolten zout. Indien nu na volkomen bekoeling de ohloras kalicus eene roodachlige (persikbloesemroode) kleur vertoont, dan kan men met zekerheid tot een mangaangehalte inde onderzochte zelfstandigheid besluiten. Ineen zeer klein bijna onweegbaar stukje houtskool of in eenige weinige roode menschenharen kan op deze wijze een mangaangehalte geconstateerd worden.

Als nieuw reductiemiddel voor indigoblauw (tot indigo wit) wordt eene oplossing van tinoxydule-soda opgegeven. Men verkrijgt deze vloeistof door eene oplossing van tinchlorure onder sterk omroeren zoolang bij eene oplossing van bijtende soda te voegen, totdat eene sterke troebeling aantoont, dat afgescheiden tinoxydule-hydraat niet meer wordt opgelost. Dan wordt ter bezinking weggezet en eindelijk de heldere vloeistof afgegoten, waarmede men de indigo als fijn poeder in aanraking brengt. Bij vergelijking van de gevoeligheid der verschillende methoden tot het opzoeken van albumine in urine is Almèn tot de volgende resultaten gekomen. 1. Indien men urine op eiwit wil onderzoeken door middel van koking en bijvoeging van azijnzuur, zoo mag men niet meer dan 2 droppels op omstreeks 15 C.C. urine aanwenden. Bezigt men salpeterzuur in plaats van azijnzuur, dan moet men 0,5 C.C. op 15 C.C. urine nemen. 2. Deze methoden van onderzoek wijzen 0,2 albumine op 1000 deelen urine zeker en zonder zwarigheid aan. Het gebruik van salpeterzuur verdient de voorkeur. 3. Nog gevoeliger is de proef van Heller, bestaande daarin, dat men boven het salpeterzuur eene laag urine brengt. Hierdoor wordt 0,05 albumine op 1000 urine of één grein inde normale hoeveelheid per dag van 1500 C.C. aangewezen. 4. Het gevoeligst is de tannineproef, die inde laatstgenoemde hoeveelheid urine nog grein aanwijst. Als reagens bezigt Almèn eene oplossing van omstreeks 2 proe. tannine in zwakken spiritus, -waarvan bij de te onderzoeken urine ongeveer £ van haar volumen wordt gevoegd. Normale albuminevrije urine wordt inden regel niet door tannine-oplossing veranderd; uit zeer geconcentreerde urine, die zeer rijk aan urinaten is, worden de laatste somtijds neergeslagen, maar lossen bij verwarming weder op, hetwelk de albumine niet doet, De nieuwe base, door VVeidl in 'het vleeschextract ontdekt, waaraan hij een groot deel der voedende kracht van dit extract toeschrijft (zie N°, 9), is door hem carnine geheeten. Om het te verkrijgen, wordt vleeschextract in zijne 7voudige hoeveelheid warm water opgelost, de oplossing eerst met eene niet overvloedige hoeveelheid barietwater, dan met loodazijn gepraecipiteerd, de lichtbruine loodneerslag uitgeperst, met water uitgekookt, het Altraat heet met zwavelwaterstof behandeld en dan tot een klein volumen ingedampt. Een klein gedeelte carnine scheidt zich hierbij af, wordt verzameld en vermengd met eene nieuwe hoeveelheid, die uit de vloeistof, na praecipitatie met Ag NOs, behandeling met ammonia en afwassching met H2 S, door verdamping verkregen wordt. De zuivering der carnine geschiedt door middel van dierlijke kool. De carniue komt voor in massa’s op krijt gelijkend, is eerst zonder, later eenigszins bitter van smaak, moeilijk oplosbaar in koud, gemakkelijk in kokend water, onoplosbaar in alcohol en aether. Chloor en broom zetten de carnine in sarkine om. Door Schiitzenberg is een nieuw zuur der zwavel ontdekt, hetwelk krachtig reduoeerend werkt en den naam van hydrozwaceligzuur verkregen heeft. Indien men eene waterige oplossing van zwaveligzuur op fijn zinkstoflaat werken, dan ziet men, dat het zink zonder gasontwikkeling inde vloeistof oplost, waarbij de laatstgenoemde eene

Sluiten