Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHABIHACEUTISCH WEEKBLAI) VOOR NEDERLAND'.

ONDER REDACTIE VAN R. J. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhandelaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang, ; franco per post, ƒ 4.50.

lAlle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels ƒ1.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°, van het Blad. Brieven franco.

8e Jaargang,

N°. *B.

ZONDAG 12 November 1871.

JHededeelingen» Ingezonden stukken. In het, dezer dagen inde Tweede Kamer ingediend, wetsontwerp tot wijziging der wet op de bevordering, het ontslag en het pensioneeren der militaire officieren bij de landmacht, komt o. a. voor de afschaffing van apothekers 3de klasse, zooals reeds voor Indië is geschied. De examens voor den rang van militair apotheker der Iste klasse zullen voortaan plaats hebben volgens onderstaand programma: I°. Uitvoering van twee quantitatieve scheikundige analysen van onbewerktuigde of bewerktuigde stoffen. 3°. Opsporing vaneen vergif ineen mengsel van andere stoffen. 3°. Ontdekking eener vervalsching vaneen geneesof levensmiddel. Het examen moet binnen de tien dagen zijn afgeloopen. Door het bestuur van de Vereeniging tot bevordering van de belangen des Boekhandels, is een rekwest gezonden aan de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Fiuantiën, waarin zij verzoeken, dat bij de invoering van beide uitgaven der nieuwe Nederlundsche Pharmacopoea eene korting zal worden bepaald, die aan de postkantoren, landsdrukkerij of tussohenkomenden persoon, bij schriftelijke aanvragen van gevestigde en als boekhandelaars gepatenteerde personen aan den boekhandel zal kunnen -worden verleend. Hoewel de adressanten zich bij dit verzoek bepalen, spreken zij tevens hunne meening uit, dat door het verleenen van rabat aan de boekhandelaars, de verspreiding der Pharmacopoea inde hand zou worden gewerkt. (Jlandelsllad). Inde //Debating-Society” Vooruitgang te Amsterdam zijn inde voorlaatste -week de volgende stellingen verdedigd : 1. De uitoefening der genees-, heel-, verlos- en artsenij bereidkuust behoort geheel vrij gelaten te worden. 2. In onze tegenwoordige geneeskundige wetten, en vooral in die, regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, zijn vele gebreken. Wij lezen dat in Duitschland op onderscheidene plaatsen eene soort van //strike” onder de assistenten inde apotheken (gehülfen) is ontstaan. Men heeft echter met recht opmerkzaam gemaakt, dat de verhouding tusschen patroon en bediende inde apotheek iets geheel anders is dan

die van werklieden tegenover werkbazen of fabrikanten. De ondergeschikte positie van den bediende is slechts tijdelijk, eene overgangsperiode. Weldra wordt hij zelf patroon en zou zich dan zeer beklagen een toestand in het leven te hebben geroepen, waarvan hij nu zelf de djipe is geworden. Verlangen de assistenten verbeteringen in hun tegenwoordig lot, dan moet dit als eene familiezaak behahdèld worden en de gewenschte overeenstemming zal dan'sppedig gevonden en de //huiselijke vrede” hersteld zijn. Een hoog salaris hangt te veel van de lokale omstandigheden der apotheek af, dan dat hieromtrent vaste regels kunnen gesteld worden. En wat de arbeidsuren betreft, ook hier is het moeilijk strenge bepalingen te maken, dewijl eene apotheek ten allen tijde geopend moet zijn en hij, die zich aan de pharmacie wijdt, zich bij nacht en dag ter beschikking der lijdende menschheid stelt. Vergelijkt men den vroegeren toestand der asisstenten inde apotheek en hun verhouding tegenover den patroon en inden familiekring met den tegenwoordigen tijd, dan merken we met vreugd, hoe de wet der humaniteit haar krachtigen invloed heeft doen gelden en eene hoogst gunstige verandering heeft voortgebracht. Het patroonschap van den apotheker roept niet alleen eene vriendschappelijke verhouding met zijn assistent in het leven, maar het doet den apotheker tevens voor de belangen van den assistent waken en werken. Daartegenover staat echter, dat de assistent dezen gunstigen toestand erkent en waardeert en zijne wenschee niet buiten de redelijkheid uitstrekt. Men vraagt ons, welke wel de eenvoudigste methode is voor den apotheker, om spoedig de vraag van den geneesheer te kunnen beantwoorden, of eene ter hand gestelde urine albumine bevat. Men onderzoekt de urine eerst met lakmoespapier op hare reactie. Is deze aloalisch, dan voegt men één a twee droppels azijnzuur bij, doch slechts zooveel, dat het roode lakmoespapier niet meer blauw wordt. Men vult met deze vloeistof omstreeks het derde gedeelte van een reageerbuisje en brengt haar boven eene wijngeestvlam aan de kook. Bij aanwezigheid van albumine wordt dit reeds vóór het kookpunt als een coagulum van eene lichte kleur afgescheiden. Om zeker te zijn, dat geene phosphorzure alcalisehe aarden de oorzaak van het troebel worden zijn, voegt men bij de troebele vloeistof na het koken eenige droppels salpeterzuur. Slechts dan, wanneer de neerslag, die door het koken ontstaan is, niet weder oplost, bestaat hij uit albumine. Verdwijnt de

Sluiten