Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PHARMACELTISCH WEEKBLAD

YOOR NEDERLAND. ONDER REDACTIE TAN R. i. OPWIJRDA, Apotheker te Nijmegen.

Dit Blad wordt eiken Zaterdag uitgegeven bij den Boekhan-delaar D. B. CENTEN te Amsterdam. Prijs per Jaargang, franco per post, ƒ 4.50.

Alle stukken, welke men in dit Blad wenscht opgenomen te ; zien, gelieve men franco in te zenden aan den Redacteur te Nijmegen vóór Woensdag.

Prijs der Advertentiën: van 1 tot 6 regels f 1.—, elke regel meer 15 ets., en 10 ets. voor een N°. van het Blad. Brieven franco.

8e Jaargang.

N°. Jta.

ZONDAG 18 Februari 1873.

Mededeelingen. Ingezonden stukken. PHARMACOPOEA NEERLANDICA, EDITIO ALTERA. IV. 3. Be label der maximaaldoses. //Het bepalen van de //doses der geneesmiddelen mist tot heden een vasten //grondslag; alles is hier nog weifeling en berust bijna //enkel op traditie”, zoo schreef ons onlangs een geacht geneesheer. Bij sterk werkende geneesmiddelen is het echter voor den apotheker hoogst nuttig de maximaaldoses te kennen, die door de ondervinding zijn aangewezen, zoodat hij bij grooter hoeveelheden aanleiding heeft tot het vermoeden, bedoeld inde 3de al. van art. 8 van wet IV. In overeenstemming hiermede juichen wij het denkbeeld der commissie toe, om aan het einde der Pharmacopoea een tabel te geven der maximaaldoses voor volwassenen vaneen tal heroïsche middelen. Men is zelfs verder gegaan en heeft tevens vermeld, dat de geneesheer niet boven deze doses voorschrijve zonder bijvoeging van het teeken !. Hierbij wenschen wij een oogenblik stil te staan. Heeft men met deze bepaling aan het adres der geneesheeren hun eene verplichting willen opleggen ? Maar hoe dan, wanneer de geneesheer, hetzij uit beginsel hetzij uit verzuim, dit teeken bij eene hoogere dosis nalaat ? De Pharmacopoea is enkel het uitvloeisel der wet regelende de uitoefening der artsenijbereidkunst, ten einde als artsenijbereidkundig formulierboek te dienen. De geneesheer behoeft van de Pharmacopoea geene andere notie te nemen als dat hij daaruit den aard der geneesmiddelen leert kennen, zooals zij door den apotheker zullen en moeten worden afgeleverd, wanneer hij (de geneesheer) geneesmiddelen voorschrijft onder de namen, inde Pharmacopoea vermeld. Overigens schrijft hij geheel naar verkiezing geneesmiddelen voor, hetzij zij al dan niet inde lands-Pharmacopoea zijn opgenomen. Inde geheele wet regelende de uitoefening der geneeskunst wordt dan ook het woord „Pharmacopoea” niet genoemd. Alleen voor zoover de geneesheer volgens art. 9. van Wet 111 als apotheker optreedt, moet hij de geneesmiddelen, die op zijne lijst voorkomen, volgens de Pharmacopoea voorhanden hebben. Het komt ons derhalve voor, dat inde Pharmacopoea geene wettige verplichting aan den geneesheer als zoodanig kan worden opgelegd. Laat de geneesheer bedoeld teeken bij grootere dan de aangegeven maximaaldoses, op zijne recepten na, dan is er geen enkele straf, die hem treffen kan. De bepaling had, zoo zij noodig was, inde wet zelve behoord en bij de behandeling der geneeskundige wetten is zij dan ook ter sprake gekomen, maar niet ingevoerd.

Eenige leden der commissie van rapporteurs wenschten bij art. 8 van Wet IV niet alleen, dat er in navolging der Pruisische wetgeving van staatswege tabellen werden uitgevaardigd, waarin het maximum der dosis van sterk werkende geneesmiddelen voor volwassenen tot inwendig gebruik zou worden bepaald, maar tevens, dat de. geneesheer gehouden zou zijn bij het overschrijden der aangegeven dosis een teeken aan dat voorschrift toe te voegen, ten blijke, dat hij wel degelijk de opgegeven hoeveelheid heeft bedoeld. De Eegeering antwoordde hierop; //Het bepalen van eene dosis maxima, bij welker //overschrijding een teeken aan het recept zou moeten //worden toegevoegd, zou op de lijders, die weldra met //dit teeken bekend zouden zijn, ongunstig kunnen wer//ken.” (Opwijrda, Geneesk. Wetten, bladz. 644.) De nuttigheid van den maatregel in het midden latende, kunnen wijde bepaling, zooals zij thans boven de tabel der maximaaldoses inde Pharmacopoea voorkomt, niet anders beschouwen dan als eene uitnoodiging aan de geneesheeren. Eene uitnoodiging nu moge in eene circulaire plaats vinden, maar behoort, onzes inziens, niet in een Codex tehuis. Hetzelfde geldt 3. Be lijst der reagentié'n. De commissie heeft de verschillende reagentiën, die tot onderzoek van de zuiverheid der geneesmiddelen telkens inden tekst worden vermeld, tot eene lijst verzameld en deze aan het einde der Pharmacopoea geplaatst, inde voorrede den wensch uitende, dat deze reagentiën inde apotheken mogen gevonden worden, ofschoon de wet dit niet voorschrijft. Men houde het ons ten goede, maar wij achten dien wensch irrationeel ineen Codex, al is deze zooals thans als maatregel van inwendig bestuur gegeven. Naar dezen Codex worden de apothekers geoordeeld, op zijne voorschriften berust het onderzoek der apotheken door de geneeskundige ambtenaren en bij overtreding het vonnis van den rechter. De Codex kan derhalve niet anders dan beslissende voorschriften bevatten, geen wenschen. Een van beiden, men had enkel den apotheker bij elk voorschrift, moeten aanwijzen, aan welke vereisohten elk geneesmiddel wettig moet voldoen, zonder van het voorhanden hebben van reagentiën te reppen —of wel, men had het voorhanden hebben van reagentiën verplichtend moeten stellen. Tot dit laatste zouden wij met dr. de Yrij het meest hebben overgeheld. Met het doel de middelen. „Zooals zij (de geneesmiddelen) daarin (inde Pharmacopoea) zijn aangegeven”, luiden de stellige bewoordingen van het wetsartikel. Om zich daarvan bij elk geneesmiddel ten allen tijde te kunnen .overtuigen, heeft de apotheker de opgegeven reagentiën noodig. Onzes inziens be-

Sluiten