is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 14, 1877-1878, no 16, 19-08-1877

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engelsche tijdschrift Public Health maar eens na te gaan, om te zien, hoe voortdurend deze bijmengingen of verwisselingen plaats hebben. Juist om dit kwaad te stuiten zijnde wetsbepalingen noodig, die wij tot hiertoe missen. Wij zouden het bejammeren, indien uitingen, z. a. inden genoemden raad, de Kegeering terughielden om ze in het leven te roepen. Bouwt men hier op particuliere initiatieven, wij vreezeri zeer, dat men buiten den waard zal rekenen. Immers, de ondervinding leert, dat men in het gewone leven schroomt, z. a. men het noemt, de kat de bel aan te binden en bij de ontdekking van de eene af andere fraude zich liever schade getroost dan den verkooper aan te klagen of bekend te maken, gesteld, dat men nog de wetenschap bezit de fraude te constateeren. Daartoe zijn bepaalde ambtenaren, wetenschappelijke keurmeesters, noodig, die niet wachten op de mededeeling eener vervalsching maar zelven handelend optreden en de verschillende handelswaren uit de verkoophuizen en winkels voortdurend aan een opzettelijk onderzoek onderwerpen. Op de voedingsmiddelen, zoo nauw met de hygiëne in verband, is even goed en zelfs nog meer toezicht noodig dan op de geneesmiddelen inde apotheken, want de verkoop van laatstgenoemden geschiedt door wetenschappelijke, voor de uitoefening van het vak van staatswege bevoegd verklaarde personen, terwijl de verkoop van eerstgenoemden elkeen vrijstaat, eene handelszaak is, waarbij »geldverdienen” op den voorgrond staat. VERSCHILLENDE NATUURKUNDIGE DIPLOMATA. Wanneer ik verklaard heb van den heer Stoeder te verschillen Inde opvatting omtrent het verkenen van verschillende diplomata voor het met goed gevolg afgelegd natuurkundig examen der aanstaande artsen en hulp-apothekers, wensch ik dit niet verstaan te hebben, alsof ik de som van de kennis der hulp-apothekers geringer verlang. Ik wil zelfs meer zeggen: In theorie acht ik de stelling van den heer S. juist, maar ik plaats mij op een praktisch standpunt, ik let op den feitelijken toestand en dan blijf ik een verschil tusschen het natuurkundig examen der aanstaande artsen en dat der hulp-apothekers wenschelijk achten. Ik plaats mij namelijk op het standpunt der Commissie van 1875/76, en deel met haar inde vrees, dat, zooals de zaak nu gecombineerd is, //van de hulp-apothekers in zoölogie te veel //en in chemie en botanie te weinig wordt gevorderd.” « Vooral vrees ik dit laatste voor de scheikunde, en ik put mijne vrees uit zaken, die voor elk openbaar liggen. De pharmacie is steeds de bakermat geweest der scheikunde, uit haar zijn vele beroemde scheikundigen voortgekomen, tot haar wendt zich inden regel het publiek, wanneer het opheldering over scheikundige zaken verlangt. Letten wij nu op de schriftelijke vraagstukken en de opstellen betreffende scheikunde, bij de laatste natuurkundige examens opgegeven en inde Verslagen opgenomen, dan moet het ons treffen, hoe eenvoudig zij zijn. Werkelijk, zij staan beneden het peil der vraagstukken en opstellen bij de eindexamens der Hoogere Burgerscholen en niemand zal toch beweren, dat de scheikundige kennis dezer leerlingen voldoende is voor een natuurkundig hulp-apothekers-examen. Al verder, zal het elkeen, die bij het openbaar mondeling apothekers-examen bejast was met het pharraaceutisch-chemisch gedeelte, of die dit als toehoorder bijwoonde, hebben moeten opvallen, hoe gering veelal de kennis der candidaten in scheikunde was, zoodat men dit niet op rekening van//vervloeien” gedurende het verplichte tijdperk na het hulp-apothekers examen kan stellen maar zich gedrongen ziet het aan gemis van goede scheikundige grondslagen toe te schrijven. Naar mijne meening, moet van den hulp-apotheker eene veel omvattende kennis der scheikunde verlangd worden, een diep indringen in het wezen der wetenschap, uitgebreide feitenkennis. Ook het praktische gedeelte moet ra. i. van veel meer beteekenis zijn en niet enkel bestaan, zooals tot heden, in het opsporen van één. hoogstens twee basen en zuren, maar in het volvoeren van volledige analyses, wmarbij ook aan de quantitatieve analyse, vooral aan de toepassing der titreermelhode, de aandacht geschonken wordt. Zelfs zouden wij het niet ongeschikt rekenen, indien onderzoekingen op albumine, suiker enz. in vloeistoffen bijv. urine, daarbij getrokken werden. Ik begrijp zeer goed, dat voor het aanleeren van zooveel

scheikunde een langer tijdsverloop vereisoht wordt dan men er tot heden inden regel aan besteedt. Maar wat nood! Het bij de wet bepaald tweejarig tijdperk tot voorbereiding voor het apothekers-examen, is alsdan zeker voldoende om de scheikunde in vollen zin te leeren toepassen op de artsenijmiddelen, en wat de hoofdzaak is, men heeft vooruitzicht, dat de Nederlandsche apotheker een van de voornaamste dragers wordt der scheikundige wetenschap. Wat voor scheikunde het geval is, geldt ook in algemeenen zin voor plantkunde, althans, ik meen geen tegenspraak te ontmoeten met de bewering, dat de plantkunde, die de arts tot uitoefening van zijn vak behoeft, in geen vergelijking komt met die, welke de apotheker noodig heeft voor hare latere toepassing op geneeskrachtige gewassen. Evenmin daarentegen kan het betwist worden, dat voor den aanstaanden arts de dierkunde eene veel hoogere beteekenis heeft dan voor den aanstaanden apotheker. Eindelijk nog de regeling der examina bij de wet Het is waar, de wetgever bezigt zoowel inde wet van 1865, als inde wijziging van 1874 onder a. I. c. en d. dezelfde bewoordingen. Hij had dus in art. 8 (examen voor hulp-apothekers) voor dit gedeelte kunnen verwijzen naar art. 4 (examen voor candidaat-arts), maar nu hij dit niet gedaan heeft, maarde bewoordingen herhaalt, geeft dit grond tot de vooronderstelling, dat hij inde verschillende toestanden aan dezelfde woorden eene andere beteekenis wilde gehecht zien. Hetzelfde geval doet zich voor bij het praktisch hulp-apothekers-examen en bij het leerling apothekers-examen, bij welke beiden men woordelijk hetzelfde leest: //kennis en geschiktheid, noodig tot het gereedmaken van recepten.” Toch ligt het inden aard der zaak, dat men inde twee gevallen aan deze woorden eene verschillende (meer of min uitgebreide) beteekenis zal geven. OOGWATER REGENWATER. Onlangs werd mij tot onderzoek ter hand gesteld een oogwater, dooreen partikulier te Amsterdam, wien men veel over oogkwalen komt raadplegen, afgeleverd a ƒ 1.00 de wijnflesch. Het bleek mij niets anders te zijn als – loodhoudend regenwater ! EXTRACTÜM RATANHIAE. Onder de geneesmiddelen, die bij de winkelvisitaties veelvuldig in ondeugdelijken staat gevonden worden, behoort Extractum ratanhiae. In verschillende apotheken treft men nog het geheel onwerkzame Amerikaansche handels-extract in vrij groote stukken aan, hetwelk zich door smakeloosheid en bijna geheele onoplosbaarheid onderscheidt, in andere een extract van eene zwartachtige kleur, eveneens gering van smaak en bij oplossing in water veel achterlatend. Algemeen wordt geklaagd over het geringe gebruik van dit extract' bij de receptuur, misschien wel een gevolg van de weinige uitwerking, die de geneeskundigen daarvan ondervonden. Toöh meen ik, dat deugdzaam Extractum ratanhiae een zeer krachtig saraentrekkend geneesmiddel is, en daarom neem ik de vrijheid er bij de collega’s op aan te dringen het bij hen voorhanden extract te onderzoeken of het roodachtig, sterk samentrekkend van smaak en geheel oplosbaar in water is tot eene bijna heldere, roodbruine vloeistof. Extr. ratanhiae, hetwelk aan deze eischen niet voldoet, moet weggeworpen worden. Eigen bereiding, juist volgens het voorschrift der Pharm. en van echten ratanhiawortel, is eene noodzakelijkheid, om zekerheid te hebben van de deugdelijkheid van het praeparaat. Waarde Redacteur! Op de recepten komen van ouds 3 letters voor, die mij nog wel eens hinderen, ik bedoel u\. a.” (//lege artis”). Zijn wij, pharmaceuten, dan werkelijk zulke onmondigen, dat de geneeskundige, die inde pharmaceutische kunst zooverre beneden ons staat, zich rechtens daaromtrent eene tegenovergestelde meening aanmatigen mag? Ik zou echter die woorden met onverschilligheid kunnen voorbijgaan en ze op rekening schrijven van den //ouden tijd” met al de afhankelijkheid van de toenmalige machtige doctoren, maar onlangs kwam mij een afschrift in handen, hetwelk den ouden wrok weder krachtig aanwak-