is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 14, 1877-1878, no 50, 14-04-1878

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14e Jaargang. 14 April 1878. N°. 50.

PHARMACEOTISCH WEEKBLAD VOOR NEDERLAND. Voor Apothekers en Apotheekhoudende Geneeskundigen.

REDACTEUR: R. J. OFWIJBDA, te Nijmegen. Prijs per Jaargang, franco per post, ƒ 4,50. Advertentiën: van I—s regels f 1,—, elke regel meer 20 Cts. en 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnements-tarief is op aanvrage verkrijgbaar. tlcdedeelingen. Ingezonden stukken. De Minister van Oorlog heeft ter kennis gebracht van belanghebbenden, dat op 1 October dezes jaars jongelieden zullen worden toegelaten om bij het garnizoens-hospitaal te Amsterdam te worden opgeleid tot militair apotheker hier te lande. Leeftijd niet jonger dan 17, niet ouder dan 20 jaren, vrij van lichaamsgebreken, enz. Indiening vaneen verzoekschrift door ouders of voogden vóór 16 Juli e. k. op zegel aan den Inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht, o. a. vergezeld vaneen bewijs van met goed gevolg afgelegd litlerarisch-mathematisch examen. (Niet duidelijk is het, waarom ook niet voor aanstaande militaire apothekers, evenals voor aanstaande officieren van gezondheid eene verklaring geëischt wordt, waaruit blijkt, dat de adspirant minstens één jaar met goed gevolg onderwijs heeft genoten inde Grieksche en Engelsche talen.) Het getal plaatsen voor militaire apothekers opengesteld be, draagt twc e. Bij meer dan het vereischte aantal adspiranten beslist een vergelijkend examen inde Engelsche taal, de beginselen van de Grieksche taai, inde aardrijkskunde en de algemeene en vaderlandsche geschiedenis. De studenten voor den pharmaceutischen dienst hier te lande genieten eene bezoldiging van ƒ 500 ’sjaars. Zij zijn verbonden na hunne benoeming tot militair apotheker den lande gedurende tien achtervolgende jaren in die betrekking te dienen. De overige voorwaarden omtrent borgtocht enz. zie men in de Staats-courant van 7 en S April. GESCHIEDENIS VAN HET ONTSTAAN YAN DEN BARNSTEEN, VERKLAARD MET BEHULP VAN WAARNEMINGEN AAN COPALPLANTEN DOOR PROF. DRAGENDOHFF. De Baltische barnsteen zal wel afkomstig zijn van eene plant, zeer na verwant aan onze Europeesche Coniferen, maarde barnsteenplant zal daarvan verschild hebben, eerstens doordat zij een zeer dunvloeibaren terpentijn (balsem) afscheidde en ten tweede, doordat zij dezen in veel aanzienlijker hoeveelheid voortbracht dan onze thans levende Europeesche Coniferen doen. Niet alleen de overblijfsels der moederplant, in Baltischen barnsteen opgesloten, spreken voor de afstamming vaneen Conifeer, maar ook de scheikundige aard van de hars, want onder alle bekende balsems waren het juist die der Coniferen, welke bij het hard worden rijkelijk barnsteenzuur of eene zeer nabij deze staande zelfstandigheid, gevormd bij droge destillatie of bij inwerking van basen, bevatten. (Prof. D. vermoedt het anhydride daarvan in gewonen barnsteen; slechts inden zoogenaamden beenderenbarnsteen, dien hij als produkt van eene hydratisatie beschouwt, welke ook de hars aantastte, gelukt het barnsteenzuur zelf aan te wijzen). Het ontstaan van aanzienlijke hoeveelheden barnsteenzuur is bij de oxydatie van terpentijnoliën gemakkelijk aan te wijzen. Door het gehalte aan de moederzelfstandigheid van het barnsteenzuur verschilt de Baltische barnsteen van de

UITGEVER: B. B. CEIV’TEX, te Amsterdam. De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk Woensdag morgen verwacht bij den Redacteur. De Advertentiën ui ter lijk Vrijdag avond bij den Uitgever. bekende harsen, die niet van Coniferen afstammen, ja het schijnt zelfs, alsof dit zuur in barnsteenen, die in meer zuidelijke streken gevonden worden (Syrië, Sicilië) eveneens niet voorhanden is, zoodat ook voor die barnsteensoorten de afstamming van j Pinm succinifer twijfelachtig is. r Alle of bijna alle barnsteenplanten schijnen verder, toen zij op de aarde leefden, het meest nabij zeekusten getierd te hebben en reeds in dit opzicht vertoont zich overeenkomst met de Copalplanten. Zij gelijken ook op dezen met betrekkin? tot de hoeveelheid en de physisohe eigenschappen van den afgescheiden terpentijn. Slechts bij een zoo dunvloeibaren balsem, als de tot de Papilionaceën behoorende copalplanten (Hymenaea-, Trachylobium-, Guibourtia-soorten) en de verwante Copaiferasoorten leveren, was de insluiting van insecten enz. mogelijk die barnsteen en copal zoo dikwijls vertoonen, en slechts bij zeer groote oplevering konden vaneen boom zulke harsklompen op eens verkregen worden, zooals zij bij barnsteen en copal voorkomen. Yan copal, een zeer technisch handelsartikel, is het bekend, dat de harsmassa’s, die van thans levende hoornen verzameld worden, slechts zeer geringe waarde bezitten. Elke goede copal stamt af van reeds lang vergane generaties der moederplant en heeft langen tijd inde aarde gelegen ; zij moet fossiel of subfossiel zijn. Dewijl nu naast deze overblijfsels van vroegere generaties ook de thans levende vertegenwoordigers der copalplanten kunnen waargenomen worden, zoo is de copal zeer geschikt, om de vorming van den barnsteen te demonstreeren. De oliën, die inde copalplanten voorkomen, ondergaan eene snelle oxydatie inde lucht tot harsanhydriden, terwijl een ander deel der olie verdampt; hieraan moet de oorzaak van het hard worden toegeschreven worden. Maar ook nadat de balsem lot bars is hard geworden, kan een overblijfsel van vluchtige olie daarin aangewezen worden, die zelfs inden loop van eeuwen niet verdwijnt. Zulk een overblijfsel ' van vluchtige olie van ongeveer 3 pCt. wordt nog inden barnsteen gevonden. Inde oudste vormen van copal, die tegenover barnsteen nog altijd jong moeten genoemd worden, maakt het oliegehalte 5 7 pCt. uit, in jongere copalsoorten stijgt het tot 15 pCt. en meer. Naarmate dit het geval is, neemt de oplosbaarheid der copalsoorten in petroleumaether, chloroform, spiritus toe, deels dewijl de olie daarin opgenomen wordt, deels dewijl door hare tegenwoordigheid ook een deel der harsanhydriden beter oplosbaar wordt. Gemakkelijk oplosbaar zijn ook de weeke korsten, die, evenals zij op de oppervlakte der versch gegraven barnsteenstukken voorkomen en bij beenderenbarnsteen bijna de geheele massa der stukken uitmaken, ook bij oudere copal gevonden worden. D, beschouwt ze als produkten eener o pp er v la k Je i g e hydratisatie der harsanhydriden, die onder den invloed van vochtigheid des bodems, van zeewater enz. geschied is. Door het aannemen van hydratisatie tracht D. ook de melkachtige plaatsen te verklaren, die zoo dikwijls in het binnenste van stukken barnsteen voorkomen. Hij schrijft haar ontstaan toe aan den invloed van stoffen uit de dampkringslucht neergeslagen, toen de barnsteenterpentijn uit de plant kwam en tijdens hij hard werd. Daarbij werd gewezen op de analoge vormingen van het kristallijn abietinezuur inde Coniferenwouden