is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor wetenschappelijke pharmacie, jrg 4, 1862, 1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven, dat daarvan steeds het meest mogelijke nut getrokken werd en zijne geschiktheid tot het verstrekken van wetenschappelijk onderrigt dan ook algemeen bekend en gewaardeerd werd, zoodat het hem nimmer aan leerlingen ontbrak.—

Nort ie r was eerzuchtig , ja! maar het was eene edele eerzucht die hem bezielde. Hij spande steeds al zijne krachten in, om zijnen naam gunstig bekend te doen worden. Toen, door de benoeming van Dr. d e Yr ij tot Inspecteur voor Scheikundige Onderzoekingen op Java, het Lectoraat inde Scheikunde en Pharmacie aan de Geneeskundige School openkwam, dacht hij er ernstig aan en had aanvankelijk reeds stappen gedaan, om naar die betrekking te staan , daar de overtuiging bij hem levendig was, dat hij, voor hetgeen voor zoodanige betrekking gevorderd werd, de meest voldoende waarborgen in zich zelven bezat. Nor tier luisterde echter naar de welgemeende raadgevingen zijner vrienden, die hem de waarneming vaneen Lectoraat inde Scheikunde ernstig moesten ontraden, uithoofde de goede vervulling van zulk eenen veel omvattenden werkkring, die zijne schier dagelijksche en langdurige verwijdering uit zijne apotheek zou vorderen , moest uitloopen op achteruitgang in zijne zaken; of waarbij dat onderwijs gebrekkig zou moeten zijn, als de trouwe vervulling van zijne pligten als apotheker bij hem het zwaarste wogen. Het eerste gedoogde het welzijn van vrouw en kinderen niet; en het laatste, het geven van gebrekkig en onvoldoend onderwijs, zou hem eene onmogelijkheid geweest zijn. Met zelfbeheersching nam hij het besluit zich onverdeeld aan zijne meer nederige beroepspligten te wijden, maar altijd toch waren de avond-uren en die hij aan den slaap ontwoekerde voor hem de genolrijkste, als hij zich inden voortgang der wetenschap verlustigde en zijnen geest met nieuwe en frissche teugen, uit de wetenschappelijke springader verkwikte. Ook nog ineen ander opzigt bleek die welgeplaatste eer-

102