is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor wetenschappelijke pharmacie, jrg 4, 1862, 1862

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oont de bovengenoemde scheuren als holten, die zich tot aan den middenbast uitstrekken.

Onder het mikroskoop bij 300 malige vergrooting beschouwd, vertoont zich de buitenbast zamengesteld uit onderscheidene (8—10) rijen bruingekleurde, naar buiten toe sterk verdikte kurkceilen met talrijke poriënkanalen , waarop dan 5—6 rijen eveneens vlakke tamelijk dikwandige cellen met een geelachtigen inhoud volgen. De daarop volgende middenbast bestaat uiteen slap, raaklijnig uitgerekt parenchym, in welks cellen men een gelen, kruimeligen inhoud en kleine amylumbolletjes kan onderkennen. Tusschen de celrijen van den binnenbast vindt men groepen van 3—6 bleekgele, bijna volkomen verdikte cellen , welke eveneens raaklijnig uitgerekt zijn en reeds met het bloote oog op de dwarsche doorsnede als lichter gekleurde stippen zijn te onderkennen. De binnenbast bestaat uiteen kleincellig, meer gespannen parenchym , in welks afzonderlijke cellen men eene meer radiale schikking kan onderkennen, en welke met rijen rondachtige bastcellen, die naar de peripherie toe tot afzonderlijke , tegen het hout twee aan twee naast elkander staan en eveneens in radiale rigting vermengd zijn. Deze bastcellen bezitten eene bleekgele kleur en een zeer klein lumen; er zijn geen mergstralen te onderkennen, ’t welk waarschijnlijk het gevolg der verscheuring der bastlaag is, waardoor zij uit elkander gerukt worden. De cellen van den binnenbast bevatten een gelijken inhoud als die van den middenbast, daartusschen bevinden zich afzonderlijke, geheel met eene bruine massa gevuld zijnde, waarschijnlijk harsgangen , doch hetwelk wegens de brooze hoedanigheid van den bast niet met zekerheid kon bepaald worden. Wanneer wij nu met deze bevinding de resultaten vergelijken van de onderzoeking van Weissbecker, zoo zien wij , dat de cortex Winteranus verus volgenderwijs afwijkt van de door hem onderzochte basten: Vooreerst ontbreken bij den eigentlijken Wintersbast de zamenhangende rijen verdikte cellen, welke de, na het afwrijven van de kurklaag, overblijvende gladde buitenste laag der Canella alba vormen, welke zoo

179