is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 12, 1875-1876, no 29, 14-11-1875

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I°. De beide oppervlakken eener biconvexe lens zijn met gelijke stralen beschreven; de brekings-coëfficient van het glas is 1.54; de brandpuntsafstand 0.6 M. Op welken afstand zal het beeld gevormd worden vaneen voorwerp, op 2 M. afstand van het middenpunt geplaatst, en hoe lang is de straal, w:aarmede de oppervlakten zijn beschreven ? 2°. Beschrijf de verschillende soorten van galvanometers, met verklaring van het gebruik, om de sterkte vaneen galvanischen stroom te meten. En des namiddags eene tweede botanische vraag, van den volgenden inhoud: Wat is u bekend van de samenstelling en de verrichtingen van het chlorophyll ? Omtrent het mondeling examen valt niets bijzonders mede te deelen, dan dat de commissie het examen in mineralogie in dat van scheikunde inweefde en voor eerstgenoemd vak slechts geringe eischen meende te moeten stellen. Vóór het begin van het schriftelijk examen hadden 5 adspiianten verklaard niet inde gelegenheid te zijn, ter aangewezen plaatse te verschijnen, zoodat het werd begonnen met 67 candidaten, die elk de door de wet voorgeschreven som van f 5 hebben gestort. Verder viel ook onder het mondeling onderzoek, dat telkens voor 10 adspiranten in 2 dagen ten einde liep, nu en dan een af, die zich om de eene of andere reden terugtrok. Int geheel bleven aldus van de 72, die zich hadden aangemeld, 55 candidaten over, die het geheele examen medemaakten. Van deze 55 werden 37 afgewezen en ontvingen 18 het diploma, namelijk: B. Hoekstra, H. M. van Schaïk, K. Verlaan, H. J. Hengeveld Kzn., J. F. Tulleners, H. Beker, G. J. Vanier, A. J. Prins, L. P. v.d. Spil, J. H. Remmers, A. G. v.d. Land, S. Stheeman, H. Swart, J. Wartena, M. Hijmans, A. Butner, J. H. Polak, J. B. Meijeringh. _ De commissie deed de ervaring op, dat vrij algemeen de kennis van de beginselen der mechanica nog al te wenschen overliet. _ De algemeene indruk van het examen inde scheikunde was niet zeer gunstig. Ofschoon de grootste helft der candidaten daarin voldoende cijfers verkreeg, waren de gevallen, waarin hunne kennis meer dan even voldoende kon genoemd worden, zeer zeldzaam. Bepaald ongunstig waren verder de resultaten van het examen in botanie en zoölogie. De meeste candidaten hadden slechts vluchtig enkele indeelingen en kenmerken uit kleine handboeken van buiten geleerd, somwijlen zelfs zonder de beteekenis er van te begrijpen. Van daar dat zij zeer algemeen bekende voorwerpen niet herkenden, veel minder wisten te beschrijven. In ’t algemeen dus is de uitslag van dit examen, zooals ook de verhouding tusschen het getal der bevorderden en dat der afgewezenen aanwijst, zeer ongunstig te noemen. Des temeer verheugt het de commissie, van sommigen te mogen verklaren, dat zij inderdaad degelijke studiën inde verschillende examenvakken hadden gemaakt. Ten slotte neemt de commissie de vrijheid uwe Excellentie te wijzen op de bezwaren, die het examineeren van aanstaande artsen en van hulp-apothekers door ééne enkele commissie oplevert. Zij vreest, dat ten gevolge daarvan aan de eerste kategorie van examinandi te hooge eischen in botanie en chemie zullen worden gesteld en misschien te lage in zoölogie, terwijl aan den anderen kant van de hulp-apothekers in zoölogie te veel en in chemie en botanie te weinig zal worden gevorderd.*) Utrecht, P. J. van Kerckhoef, Voorzitter. 13 October 1875. J. L, Hoorweg, Secretaris. OREZZAWATER. Inde kwestie over het Orezzawater kan ik thans ook een woordje medespreken. Dooreen depothouder, die mij echter verzocht heeft zijn naam te verzwijgen, werden mij 3 flesschen toegezonden, voorzien met het etiquet: Orezzawater en verder de noodige aanwijzingen. De vloeistof uit de eerste flesch, die ik opende, was bijna helder, doch bij het staan inde lucht scheidde zich na korten tijd een bruin bezinksel af, hetwelk zich boven eene heldere vloeistof op den bodem verzamelde. Nadat een gedeelte der nog heldere vloeistof met salpeterzuur verwarmd was, werd duidelijk en vrij sterk de ijzerreactie met ferrocyaankalium verkregen. Ook de den volgenden dag van het bezinksel afgefiltreerde vloeistof gaf bij gelijke behandeling nog eene, hoewel "zwakke, ijzerreactie. Het bezinksel met H Cl verwarmd gaf eene sterke ijzerreactie. De vloeistof uit de tweede flesch was geheel helder en bleef bij het staan inde lucht geheel helder, zonder iets af te scheiden. Alleen het laatste gedeelte uit de flesch, hetwelk ik afzonderlijk hield, scheidde een weinig ferridhydroxyde af. De reactie op de met salpeterzuur behandelde vloeistof met ferrocyaankalium was zwak. De vloeistof uit de derde flesch was ook zeer helder en scheidde *) Wij waren en blijven steeds van dezelfde meening. Ebd,

bij het staan inde lucht insgelijks niets af. Ook hier werd eene ijzerreactie verkregen, die in sterkte het midden scheen te houden tusschen die der beide eerstgenoemde vloeistoffen. Het gehalte aan vrij koolzuur was inde 3 flesschen zeer gering. Bij verdamping scheidden zich bij allen bruine vlokken van ferridhydroxyde af, die als een bruine aanslag achterbleven. De betrekkelijke hoeveelheid hiervan was overeenkomstig de boven beschreven verhoudingen. Bij het bepalen van het ijzergehalte van den inhoud der flessohen bleek mij, dat dit vrij wat geringer was dan volgens de opgave van Poggiale op het etiquet vermeld staat. Het "gehalte van den inhoud der Iste flesch aan Fe was 0,0151 pet. = 0,031 Fe C03, van de 3de en 3de flesch omstreeks 0,006 tot 0,007 pet. Fe 0,013 tot 0,014 FeC03. De opgave vermeldt: 0,128 pet. FeC03. Mijne ondervinding in deze materie is dus: dat hetgeen mij onder den naam van Orezzawater werd ter hand gesteld wel ijzer bevatte inden vorm van ferrocarbonaat, maar in geene verhouding tot de opgave en in afwisselende hoeveelheid. Nog acht ik noodig te vermelden, dat noch aan den bodem noch aan .de binnenzijde der flesschen eenige aanslag was waar te nemen. (Te gelijk met het verzenden dezes tot afdrukken lees ik een artikel inde Pharm. Zeitung van 10 Nov. van de hand van Prof. Husemann, waarin het gering ijzergehalte der minerale wateren van den handel besproken wordt. Dit in het volgend nommer.) Batavia, 8 Sept. 1875. Geachte Redacteur! Het onderzoek van de echte Tjineesche (niet Chin.) Po-ko olie, u onlangs toegezegd, heeft niet veel opgeleverd. Maar misschien kunt u er nog iets van gebruiken. Ik zal de aanteekeningen dus copieëren, zooals ik ze opsohreef. De schrijver van inliggenden brief is ïjineesch tolk alhier. ♦) Over de Tjineesche apotheken kunt u in onze Ind. Natuurk, tijdschriften ’t een en ander vinden. De Minjak Po-ko, die ik bezit, kost 75 ets. in □ fl, van ± 20 gr. inhoud. Zij is lichtbruin, riekt in groote hoeveelheden eerst niet naar pepermunt, maar zwak naar olijfolie; bij wrijving komt de pepermuntgeur te voorschijn; is deze verdwenen, dan zou ik zeggen, dat er een zwakke reuk naar kruizemunt achterblijft. De fleschjes zijn gewikkeld ineen papier met de gebruiksaanwijzing en ieder ineen doosje verpakt; 13 kleinere doosjes weder in eene grootere doos. I°. Ken droppel van de olie liet op papier geen vetvlek achter. 3°. Tegenover lakmoes reageerde de Po-ko olie zwak zuur. (Bij gelijktijdig genomen tegenproeven reageerde Iste kwaliteit 01, menth. piper. anglic. zwak zuur, 3de kwaliteit duidelijk zuur, 01. menth. piper. german. negatief. 3°. Door iodium werd Po-ko olie niet warm en gaf ook geen damp. (Iste kwal. Eng. olie evenmin; 3de kwal. Eng. olie werd heet, stootte dampen uit; Duitsche olie werd niet warm.) 4°. 35 Droppels zuiver Eng. zwavelzuur vermengend met 6 droppels olie werd het mengsel van Po-ko olie lichtbruin en warm, troebel; (Eng. olie verhield zich eveneens; zoo ook de Germaansche; de 2de kwal. olie werd bloedrood, heet, troebel.) Na bekoeling werd ’t mengsel flink dooreengeschud met 10 C. O. alcohol van 90 pot. De Po-ko olie gaf een melkachtig lichtgeel, bruin, troebel mengsel, dat een flauwen teerreuk had. (’t Mengsel van Eng. olie was wijnrood troebel, en rook naar pepermunt; van de germaansche olie eveneens; van de 3de kwaliteit geelbruin troebel, reuk naar terpentijn of teer.) Verwarmd bleven allen troebel. Na bekoeling had er zich niets afgezet. [Dit is weinig in overeenstemming met hetgeen Hager in zijn Untersuchungeti opgeeft.] s°. Men liet eenige droppels van de verschillende olieën in water vallen. Geen der oliën werd troebel ol' gaf zichtbaar iets aan het water af. 6°. Tien droppels van elke der genoemde oliën werden vermengd met 2 C. C. alcohol van 90 pet. Po-ko olie gaf eene heldere oplossing ; de Eng. olie eene troebele, melkachtige; de 2de kwaliteit eene heldere oplossing (dit wijst op oude olie) ; de Duitsche soort eene melkachtige vloeistof. Ook ineen ruime hoeveelheid alcohol, 10 C. G, losten 10 drop*) Bedoelde brief, onderteekend M. von Faber, was een antwoord op de vraag van den heer N. omtrent nadere bijzonderheden betreffende de Po-ko olie. De pok-ho-plant (tjaai-hongtj-iik) wordt beschreven met bladeren als de salie (só-plant) maar lang en spits; de wortels sterven gedurende den winter niet af. Volgens de Chinese commercial guide, fifth edition, Hongkong, 1868, wordt de po-ko olie gedestilleerd van de bladen van eenige soorten van Mentha, zooals de crispa, piperita, en pulegium. De beste soort wordt bereid te Canton.