Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*2e Jaargang. 9 April 1876. u°. 50.

PHAMACEÜTISCH WEEKBLAD

VOOR NEDERLAND. VooH Apotheekhoudende Geneeskundigen

REDACTEUR: B. J• OPWUKDA, te Nijmegen.

UITGEVER: ». B. CESTTEIV, te Amsterdam.

Prijs per Jaargang, franco per post, ƒ 4,50. Advertentiën: van I—s regels / I,—, elke regel meer 20 Cts. en 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnements-tarief is op aanvrage verkrijgbaar.

De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk Woensdag morgen verwacht hij den Redacteur. De Advertentiën uiterlijk Vrijdag avond bij den Uitgever.

Mcdedeelingcn. Ingezonden stukken. ■ Het wetsontwerp op het Hooger Onderwijs is heden (Vrijdag 7 April) aangenomen met 66 tegen 7 stemmen. De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft ter algemeene kennis gebracht, dat inde maand Juni e.k. gelegenheid zal gegeven worden tot het afleggen der examens, vermeld in art. 8 der Wet van 1 Juni 1865 (Staatsbl. N°. 59), gewijzigd bij de Wet van 8 Juli 1871 (Staatshl. N°, 97), ter verkrijging van diplomata voor het natuurkundig examen voor hulpapothekers of van acten van bevoegdheid als hulp-apotheker, in art. 16 vermeld. Dag en plaats dier examens zullen nader worden bekend gemaakt. Zij, die tot de examens wenschen te worden toegelaten, moeten daarvan vóór 30 Mei schriftelijk opgave doen aan den voorzitter der commissie van examen: voor het natuurkundig examen voor hulp-apothekers, den hoogleeraar dr. C. H. D. Buys Ballot, te Utrecht, en voor het praktisch examen van hulp-apotheker, den hoogleeraar dr. R. S. Tjaden Modderman, te Groningen. Zij, die tot het praktisch examen voor hulp-apotheker wenschen te worden toegelaten, moeten bij hun verzoek het diploma overleggen, waaruit blijkt dat zij met goed gevolg het natuurkundig examen voor hulp-apotheker hebben afgelegd. Zij, die alleen wenschen te worden toegelaten tot het leveren der bewijzen, bedoeld inde tweede zinsnede van art. S van de boven aangehaalde Wet en alzoo het natuurkundig examen van hulp-apotheker voor alsnog niet wenschen af te leggen, behooren daarvan vóór 20 Mei schriftelijk opgave te doen aan den voorzitter der commissie voor die examens, den hooHeeraar dr. C. H. D. Buys Ballot, te Utrecht. DE ARTSENIJBEREIDKUNDE VERPLAATST NAAR DE WIS- EN NATUURKUNDIGE FACULTEIT, De Tweede Kamer heeft in hare avondzitting van Vrijdag 31 Maart eene geheel onverwachte en ongedachte, maar hoogst belangrijke beslissing genomen betreffende de pharmaoie. De Minister had in art. 31 van het Ontwerp op het Hooger Onderwijs de artsenijbereidkunde, waarbij hij tevens nog gevoegd had de artsenijmengkunde en de toxicologie, onder de geneeskundige faculteit geplaatst. Hij handelde hierin geheel naar de overlevering; want van ouds werd de studie der artsenijbereidkunde onder die der geneeskunde gerangschikt. Zij maakte daarvan een ondergeschikt deel of, laat ons liever zeggen, een aanhangsel uit, waaraan de noodige beteekenis ontbrak. De geneeskundige Kamerleden, de heereu Rombach en Idzerda, stelden voor met deze traditie te breken en de artsenijbereidkunde en toxicologie naar de wis- en natuurkundige faculteit te verplaatsen. Zij beweerden, dat de hoogleeraar in die vakken naast de geneeskundigen niet op zijne plaats zou zijn en bij examens eene //stomme rol” zou spelen. Onzes inziens hebben de heeren recht geoordeeld, niet alleen met betrekking tot de examens, maar ook tot den aard der wetenschappen. De propaedeuse van aanstaande artsen en apothekers is geheel

dezelfde, liet eerste gedeelte van hun natuurkundig staatsexamen loopt over dezelfde vakken, de candidaten verschijnen voor dezelfde commissie. Dan echter volgt de splitsing, en terwijl de arts-candidaten hunne studie bijna uitsluitend op den normalen en abnormalen staat van het menschelijk organisme richten met de geneesmiddelleer als onderdeel, blijven de studiën der apothekers-caudidaten geheel besloten binnen den nauweren kring der wis- en natuurkundige vakken. Het wordt bij hen plantkunde, toegepast op planten, die de ondervinding heeft leeren kennen als geneeskracht te bezitten, plant-, dier- en scheikunde toegepast op het kennen en bepalen van zelfstandigheden uit het planten-, dieren- en delfstoflelijk rijk, die als artsenijmiddelen in gebruik zijn, scheikunde toegepast op het bereiden, herkennen en bewaren van scheikundige produkten, die tot de Materia medica behooren. De Minister verdedigde de rangschikking op den bestaandeu toestand en met eene verwijzing naar de geneeskundige wetten,' me ook de artsenijbereidkunde bevatten. Hij lichtte echter de artsenijmengkunde uit het artikel. De Kamer bleek moeilijk tot eene beslissing tusschen den ouden en nieuwen tijd te kunnen komen. Dij de eerste stemming over het amendement Itombach-Idzerda op Vrijdag morgen staakten de stemmen (36 voor, 36 tegen); bij de tweede stemming inde avondzitting werd het amendement, ook na eene voorafgaande waarschuwende opmerking van den Minister, aangenomen met 36 tegen 35 stemmen en art. 34 aldus gewijzigd goedgekeurd. Wij achten de beslissing gewenscht. Er is daardoor niet alleen uitgemaakt, cjat, wanneer het Ontwerp tot Wet verheven wordt, aan al de Universiteiten onderwijs inde artsenijbereidkunde gegeven zal worden, maar ook is door deze beslissing gedecideerd uitgesproken : de scheiding der artsenijbereidkunde van de geneeskunde, De wetenschap der artsenijbereidkunde is geheel tot haar recht gebracht; voor haar geen ondergeschikte plaatsmeer, die zij altijd inde faculteit der geneeskunde zou hebben blijven bekleeden, maar haar wacht eene eigen zelfstandige beoefening. Zoo zijn inden loop der tijden de begrippen veranderd en vooruitgegaan. En wat heeft daartoe voornamelijk den stoot gegeven ? De wetten van 1865, die wij, niettegenstaande eenige ontegenzeggelijke leemten, van den beginne af aan gezegend voor het algemeen, maar in het bijzonder voor de pharmaoie geroemd hebben en blijven roemen. Zij hebben de oogen geopend en de pharmacie in hare hooge waarde en beteekenis leeren kennen. Het is openbaar geworden, wat vaneen pharmaceut, die zijn vak naar behooren wil uitoefenen, moet geeischt worden, welke groote verantwoordelijkheid op hem rust, wat hij presteeren kan aan de maatschappij. Maar kan nu de beslissing der Kamer in overeenstemming gebracht worden met de geneeskundige wetten ? Is zij niet lijnrecht daarmede in tegenspraak ? De wetenschappelijke opleiding van den pharmaceut staat geheel op zich zelve; hij behoeft, waar het zijn vak betreft, zich tot geen onderdeel inde faculteit der geneeskunde te wenden.

Sluiten