Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatbaarheid des moederkoorns eene (wegens een gehalte aan vrij phosphorzuur) zuur reagerende kool te leveren en op de krachtige werkzaamheid van het moederkoorn op het men* schelijk ligchaam. Waarom nu echter Pe 11 enko f er juist daarbij de overeenkomst met morphin vast hield is gemakkelijk te verklaren , daar hij zijne onderzoeking van het moe* derkoorn ondernam in een’ tijd, toen alle scheikundigen door de pas gebeurde ontdekking van dit eerste organische alcali in verbazing gebragt waren. Het kan echter volstrekt niet geregtvaardigd worden , dat men tegenwoordig voor de hittere Pettenkofe r’sche kristallen, de later door Wigge r s ontdekte moederkoornswiker, die door Mitseherlich naauwkeuriger onderzocht en mykose genoemd is , tot vergoeding heeft ondergeschoven. De bitterstof des moederkoorns is thans nog af te zonderen.

Pettenkofer vond in het alcoholisch extract van het moederkoorn, benevens phosphorzuur ook een weinig azijnzuur, dat hij door koud geconcentreerd zwavelzuur daaruit ontwikkelt. Dr. P. L. Winckler (Arch. der Pharm. 1827, Bd. 23, S. 148) verkreeg uit 120 greinen moederkoorn door uittrekking met aether 28 grein 23,3 pCt. van eene vette olie, benevens eenige greinen eener bitterachtig scherp smakende stof, welke een gedurende eenige dagen aanhoudend prikkelen inde keel voorbragt en oplosbaar in alcohol, doch onoplosbaar in water was. Deze stof was echter niet kristalliseerbaar, maar smerig. Wordt het moederkoorn met water gedestilleerd , zoo kwam dit over, bedeeld met eene zelfstandigheid, die aan het water eene walgelijk bedwelmenden reuk en smaak mededeelde en de eigenschap verkreeg hoofdpijn te verwekken. Deze stof werd toenmaals niet geïsoleerd, maarde latere onderzoekingen van Winckler sluiten zich daar aan, die ze als haringbasis, als zoogenaamde propylamin beschreef, waarover later. De kennis der bestanddeelen van het moederkoorn maakte echter eene beduidende schrede voorwaarts onder de handen

270

Sluiten