is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor wetenschappelijke pharmacie, jrg 6, 1864, 1864

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bittere stof voor een goed deel inde zaden huisvest en de VrUchtdraging snel (in 3 jaren) en overvloedig is* 8. Caesalpinia coriaria. Dibi dim (Leguminosae). Junghuhn heeft op Java gevonden de Caesalpina puleherrima, de Caesalpina sepiaria en de Caesalpina Sappan, Corn is h gebruikte de peulschillen zonder het zaad van divi, tegen zuiver alledaagsche en derdedaagsche koórt-Sen, met goed gevolg. Deze plant is van Zuid-Amerika haar den botanischen tuin te Calcutta voor ruim 20 jaren geleden overgebragt en van daar naar Madras. Zij groeit hu in het geheele presidentschap Madras. De peulschillen worden gebruikt om het leder te looijen eU zij worden boven alle andere Indische adstringentia getrokken. Het leder met dit middel gelooid, wordt beschouwd gelijk te staan met het beste leder van Europa. De schillen bestaan, volgens Oornish, meerendeels uit °Uzuivere tannine en wel 50 of 65 pCt,, het overige bevat houtvezels, amylum en gom. De tannine is niet zoo donker als van galnoten. Oornish gaf 100 lijders aan intermitterende koortsen in verschillende vormen , over het algemeen met goed gevolg, poeder van de peulschillen van 40—60 greinen, 3 malea •Wgs. Even als met poeder van galnoten volgde gewoon-Hik geene constipatie onder die behandeling. 9. Strychnos rmricata Kostel. Apocyneae. E. Br. Cortex ty/ni Timor (Kajoe Timor) en Strychnos coluirina L. Loganiaeeae (Kajoe oelarj (2). Dit hout of de schors, als koortswerend aangeprezen, is door E ost vanTonningen in 1852 onderzocht, doch het bevat geen alcaloïd of indiiferente stoffen. Wai t z heeft dezen bast in laxiteit en atonie van de darmen met vrucht aangewend en wel in afkooksel. Bij ware atonie van het over Samaderine, een nieuw ligchaam afgescheiden uit de Samadera lndiea geschreven en een afzonderlijken afdrnk mij in der tijd door den k'er Vrijdag Zynen voor mijn Tijdschrift afgestaan (zie Tijdschrift Vóór Pharm., 1858, p. 193). p. J. H. (2) Zie H. Kloete Nortier, Tijdsch. v. W. Ph., 1801, p. S.

311