is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 15, 1878-1879, no 14, 04-08-1878

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15' Jaargang. 4 Augustus 1878. N”. 14-

PMMACEUTISCfI WEEKBLAD

VOOE

Yoor Apothekers en Apotheekhoudende Geneeskundigen.

Redacteur: R. J. OPWIJRDA, te Nijmegen.

Prijs per Jaargang, franco per post, / 5,20. Advertentiën: van I—s regels ƒ 1,—, elke regel meer 20 Cts. en 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnements-tarief is op aanvrage verkrijgbaar. Alededeelingen. Ingezonden stukken. In het Nommer van heden komt eene advertentie voor, waarin een beginsel opgesloten is, hetwelk aandacht verdient en toegejuicht moet worden: uTe Lochbm, prov. Gelderland, wordt gevraagd ten //spoedigste een Apotheker op eene jaarwedde van / 250. //Door de komst als 2de Geneesheer zonder Apotheek //aldaar van den heer B. Bijlsma, thans Arts te Snoek, //biedt de vestiging vaneen Apotheek, tevens Droogist //te Lochem een gunstig vooruitzicht. //Brieven franco aan den Burgemeester van Lachern.” Indien wij die advertentie goed begrijpen, wenscht het Gemeentebestuur van Lochem, dat zich aldaar een apotheker vestige, en waarborgt hem ƒ 250. Wij meenen, dat dit de eerste wezenlijke stap is, om ook op het zoogenaamde platteland de uitoefening der artsenijbereidkunst te scheiden van die der geneeskunst, waardoor zoowel het publiek als de geneeskundigen gebaat zouden worden. De geneeskundige toch met zeer drukke praktijk kan onmogelijk de noodige zorg aan het in orde houden zijner apotheek en de toebereiding der geneesmiddelen besteden. Stond bij de behandeling onzer tegenwoordige wetten op den voorgrond, dat de bewoner van het platteland niet ten achter mocht staan bij dien der groote steden, wat de bekwaamheid der geneeskundigen betreft, ook voor de geneesmiddelen en hunne toebereiding moet dezelfde regel gelden. Wil men echter de oprichting van apotheken op de bedoelde plaatsen mogelijk maken, dan zal de bijdrage grooter moeten zijn of liever, dan zal het gemeentebestuur, zoo noodig met den steun van ingezetenen, den apotheker een zeker inkomen moeten waarborgen. De concurrentie met en de vasthoudendheid van vele apotheekhoudende geneeskundigen toch levert dikwijls een lastig struikelblok. HANDELSBEEICHTEN. 111. I De gunstige stemming voor Camphor blijft aanhouden en werden inde afgeloopen week flinke partijen tot langzaam verbeterende prijzen door buitenlandsche raffinadeurs van de markt genomen; het laatste uit Hongkong (gedateerd 14 Juni 1.1.) ontvangen bericht meldt evenwel dat de voorraad aldaar beduidend is. Yan inlandsche kruiden zullen Herba cardui bened,, Herba salviae en Herba stramonii dit jaar weder schaarsch en duur zijn; Herba centaurii min., Herba mal-

UITGEVER: D. B. CENTEN, -AAnZESTEIUDJAIIVE. me, Herba menlh. crisp. en Herba menth. pip. verwacht men tot matige cijfers. De eerste 18 7 Ber – Roomsche kamillen zijn aan de Belgische marktplaatsen aangebracht, de kwaliteit is goed doch de vraagprijzen zijn voorloopig zeer hoog, zoodat het wellicht raadzaam is met inkoopen nog wat te wachten; gewone Kamillen, Klaprozen, Lindebloesem en Vlier worden hier te lande slechts uiterst spaarzaam en tot hooge prijzen aangeboden; in het buitenland echter wordt lager geoffreerd. Van Java-kina vonden verschillende kavelingen uit de jongste Ned. Handelmaatschappij veiling tot bevredigend avans op de betaalde prijzen nemers in het buitenland; het is nu reeds te verwachten, dat de a.s. veiling meer attentie zal trekken en dat de Regeering zich in een gunstiger resultaat zal mogen verheugen. De daling van Sulphas chinini houdt geregeld aan, hoewel enkele fabrikanten zich aan de Londensche markt moeite geven eene vastere stemming te weeg te brengen; de afloop der jl. week te ’s Hage plaats gehad hebbende inschrijving van 300 K°. ten dienste van het Rijk bewijst dat de fabrikanten geneigd zijn bij groote hoeveelheden orders tot een zeer gereduceerd cijfer uittevoeren. Zuivere Manilla Memi en ongestoken groffe Rad. columbo ontbreken op 't oogenblik. Rotterdam 30 Juli 1878. A. M. en O. Pluijgees. Mijnheer de Redacteur! Met belangstelling en vreugde heb ik kennis genomen van het ontwerp van wet door u inde Nos. 11 en 12 van het Pharm. Weekblad behandeld, en zeer ben ik ingenomen met deze nieuwe regeling van zaken. De op- en aanmerkingen door u er aan toegevoegd heb ik met genoegen gelezen, echter zij het mij vergund op een punt met u te verschillen en ik wensch u daaromtrent mijne gedachten mede te deelen. De practische opleiding met het oog op de latere uitoefening der kunst wordt door u uitvoerig genoeg besproken, maarde conclusie waartoe gij komt, het voorstel namelijk om art. 11, al. 3 te laten luiden zooals gij aangeeft, is verre van te voldoen aan billijke verwachtingen. Gij wilt, mijnheer, een aanstaand apotheker na eene bijna volbrachte studie, waarvoor hij minstens 4 jaren arbeid heeft noodig gehad, het afschrikkend vooruitzicht openen nog 2 jaren zich onvermoeid te wijden aan de practijk inde apotheek en het laboratorium. Wat het eerste aangaat, geloof ik, dat gij met mij eens zult zijn, dat eene 2jarige oefening niet benoodigd is en wat het tweede betreft, een student, die de

De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk Woensdag-morgen verwacht bij den Redacteur. De Advertentiën uiterlijk Yrijdag-avond bij den Uitgever. examina heeft afgelegd, welke de te verwachten wet van hem vordert, is genoeg doorkneed van laboratorium-kennis en vaardigheid in het werken, dat een dus voorgestelde oefeningstermijn hem volstrekt niet van dienst zal zijn tot meerdere kennis. Maar tot voorbeeld nemende de wet die nu van kracht is en die de aanstaande apothekers na hun hulp-apoth.- examen verplicht 2 jaren ingeschreven te zijn in eene Ncderlandsche apotheek, geloof ik veilig te mogen zeggen, dat in waarheid geen 80 °/0 der studeerenden aan dit voorschrift gevolg geven naar de bedoelingen, die de wetgever daaromtrent had. De vrije oefening, zooals de minister in het nieuwe ontwerp voorstelt, is, geloof ik, verre te verkiezen boven de verplichte. Werd echter uw voorstel, mijnheer, wet, dan zou het mijns inziens niet meer dan billijk zijn er een artikel aan toe te voegen, dat van de door u voorgestelde verplichting vrijstelde de geëxamineerde apothekers-bedienden, die 2 jaren als zoodanig in eene Nederlandsche apotheek zijn werkzaam geweest. U dankend voor de plaatsruimte aan deze afgestaan, heb ik de eer te zijn uw dienstwillige Gabel Snabilib. den Haag, 28 Juli 1878. Phdl. Stad. Amsterdam, 28 Juli ’7B. Weledele heer, Vergun me, naar aanleiding van uwe mededeeling uit the Chemist and Druggist betreffende tandpoeder, voor het volgende eene plaats in het Pharmaceutisch Weekblad. Als apotheker heb ik steeds een verkeerd denkbeeld omtrent tandpoeder gehad. Ik beschouwde het, zeer ten onrechte, als een toiletmiddel, dat bij den kapper te huis behoort. Nadat ik echter, als practiseerend tandheelkundige, eenige ervaring heb opgedaan, is mijne belangstelling voor dit medicament (als ik het zoo noemen mag) verhoogd, temeer daar ik reeds zeer spoedig tot de ontdekking kwam, dat slechts weinige soorten wan tandpoeder als onschadelijk kunnen genoemd worden. Over het algemeen stelt men aan tandpoeder hooger eischen dan men billijker wijze daarvan verwachten mag. Dit blijkt me ook aan het slot van uw opstel, waar een tandpoeder aanbevolen wordt voor tanden vaneen slecht voorkomen (zwart of geel). Voor zoodanige tanden moet m.i. geen tandpoeder gebezigd worden, want alleen door hoogst schadelijk poeder zijn dergelijke tanden te reinigen. Na heel lang (imaanden) poetsen, zal men op een gedeelte van den