is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 15, 1878-1879, no 16, 18-08-1878

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15c Jaargang. 18 Angnstns 1878. N*. 16.

PHAHMACEUTISCH WEEKBLAD

■VOOS; 3sTEX)EE.Xj^.Isr3D-

Yoor Apothekers en Apotheekhoudende Geneeskundigen.

Redacteur: B. J. OPWIJRDA, te Nijmegen,

Prijs per Jaargang, franco per post, ƒ 5,20. Advertentiën: van I—s1—5 regels ƒ 1,—, elke regel meer 20 Cts. en 10 Cts. voor een N°. van het blad. Een Abonnements-larief is op aanvrage verkrijgbaar. Mededeelingcn. Ingezonden stukken. f ALGEMEEN ZIEKENFONDS VOOE AMSTEEDAM, Uit het Verslag van den staat van het Algemeen Ziekenfonds voor Amsterdam gedurende het jaar 1877 ontleenen wijde volgende cijfers. Het aantal leden bedroeg 31 December 1877 : 31507, dat hunner kinderen 18793, tezamen 50300 personen. Gedurende den loop van het jaar werden tot nieuwe leden aangenomen 4750 personen met 2025 kinderen, tezamen 6775 personen; daarentegen werd het lidmaatschap verloren of hiervoor bedankt door 5059 leden en 4128 kinderen, tezamen 9187 personen (waaronder 2437 leden en 1638 kinderen • wegens wanbetaling en 18 leden met 12 kinderen wegens verbetering van hun maatschappelijken toestand). De bevolking was derhalve in het jaar vermeerderd met 695 leden en 452 kinderen, tezamen 1147 personen. De uitgaven voor Ziekenbehandeling bedroegen ƒ 179,349.675 cts., de ontvangsten voor deze afdeeling ƒ 180,058.09, zoodat hier ƒ 708,415 meer ontvangen dan uitgegeven is. Inde afdeeling Ziekengelden was ƒ 3,920.89 meer uitgegeven dan ontvangen, inde afdeeling gelden bij overlijden / 3,961.595 meer ontvangen dan uitgegeven. De reservekas sloot op 31 December 1877 met de aanzienlijke som van ƒ 249,625.49. Het aantal werkende deelnemers bedroeg op 1 Januari 1878 het cijfer 136, namelijk 74 geneeskundigen en 62 apothekers. Voor honorarium aan geneesheeren, heelmeesters en heelen vroedmeesters werd in 1877 uitbetaald ƒ61,235.90. Er werden gereed gemaakt 385,886 recepten, hetwelk over het gemiddeld aantal leden en kinderen per lid en kind tezamen 7,7 recept bedraagt. De gemiddelde kosten, namelijk de schadeloosstelling voor geneesmiddelen met inbegrip van de onkosten aan de aflevering verbonden, bedroegen gemiddeld voor elk voorschrift 1524A00 cents, hetwelk in het geheel uitmaakt ƒ 58,831.095. Verder werd aan de apothekers een honorarium uitbetaald ten bedrage van ƒ 36,741.54. In het geheel ontvingen dus de apothekers ƒ 95,5 72.635, dat is bijna 243A cts. per recept. Onder recepten blijken bloedzuigers niet begrepen te zijn, want voor de 300 bloedzuigers, die gebruikt zijn, worden inde Tabel, die de zetsters en zetters van lavementen en bloedzuigers vermeldt, twee leveranciers van bloedzuigers opgenoemd. Vergelijkt men de hierboven vermelde cijfers met die van het Verslag over 1876 in N°. 22 van denvorigeu Jaargang, dan ziet men niet alleen vooruitgang in het

UITGEVER: D. B. CENTEN, AMSTERDAM. ledental maar ook inde betalingen per recept aan de apothekers. Waarschijnlijk heeft de hooge kinineprijs in 1877 daartoe het zijne bijgedragen. Uit alle in het Verslag medegedeelde bijzonderheden blijkt de soliditeit van het fonds en de groote zorg, waarmede de Baad van toezicht en de Geneeskundige Commissie voor alle en aller belangen werken en waken. VEEDEELING DEE EIWITSTOFFEN VOLGENS PEOF, A. Heynsius. Onze kennis van de eiwitstoffen is, in weerwil van talrijke onderzoekingen, nog te gebrekkig om eene zoodanige systematische verdeeling te maken, dat aan alle natief voorkomende eiwitstoffen eene scherp omschreven plaats wordt aangewezen. De volgende verdeeling schijnt voorloopig het meest geschikt. Daardoor wordt althans zeker het overzicht gemakkelijker gemaakt. De natuurlijk voorkomende dierlijke eiwitstoffen *) kunnen in twee hoofdgroepen worden onderscheiden : A. Alhumine-verbindingen. Hiertoe kunnen worden gebracht: 1. Haemoglobine. 2. Serumalbumine. 3. Eieralbumine. 4. Vitelline. B. Vrije albwminen of globulinen. Hiertoe kunnen worden gebracht; 1. Globuline (Paraglobuline). 2. Eibrinogeene stof. 3. Myosine. 4. Pibrine. 5. Caseïne. A. Be albumine-verlindingen. Van de haemoglobine en van de vitelline is de samengestelde aard bewezen. Onder den invloed van verschillende agentiën wordt haemoglobine in haematine en albumine, vitelline in lecithine en albumine ontleed. Van de serum- en de eieralbumine is dit nog niet bewezen. Het bleek tot nog toe alleen, dat, zelfs door de krachtigste dialyse, aan deze stoffen kalk, magnesia en phosphorzuur niet geheel kunnen worden onttrokken. Maar of deze eiwitstoffen nu werkelijk als verbindingen van albumine met phosphorzure kalk en magnesia moeten worden opgevat, dan wel of er bij hare ontleding andere, tot nog toe onbekende stoffen uit de verbin*) Jn hoeverre deze verdeeling ook op de plantaardige eiwitstoffen, waarvan onze kennis nog veel gebrekkiger is, toepasselijk is, wil Prof. 11. hier geheel in het midden laten.

De stukken, welke men wenscht opgenomen te zien, worden uiterlijk “Woensdag-morgen verwacht bij den Redacteur. De Advertentiën uiterlijk Vrijdag-avond hij den Uitgever. ding treden, is nog niet uitgemaakt. Men weet tot nog toe alleen, dat er bij hare ontleding vrije albumine optreedt. De albumine wordt uit deze verbindingen afgescheiden door verwarming en, althans bij de serum- en de eieralbumine, bij des te lagere temperatuur, naarmate het zoutgehalte der oplossingen geringer is. Serum- en eieralbumine-oplossingen, waaruit door zoo volledig mogelijke dialyse alle oplosbare neutrale zouten en de soda of de koolzure soda tot op onweegbare sporen verwijderd zijn, laten bij 50°—55° reeds een deel harer albumine vallen; bij een Na CJ-gehalte van 16 jpCt. wordt daarvoor een temperatuur van 75°— 80° vereischt. Ook door alkaliën, zuren en vele metaalzouten worden deze verbindingen ontleed. De ontleding door alkaliën en zuren is vooral van gewicht, omdat daarbij de albumine der verbinding in die vormen wordt over* gebracht, waarin zij ook natief in het dierlijk lichaam worden aangetroffen : de zoogenaamde alkali-albuminaten en de acidalbuminen of globulinen, Yan deze alkali-albuminaten en acidalbuminen of globulinen bestaat er een groot aantal, want onder den invloed van alkaliën en zuren wordt niet alleen de albumine uit de verbinding vrij gemaakt, maar ondergaat zij ook eene. verandering. Die verandering is des te belangrijker, naarmate de inwerking van het alkali of het zuur heviger is. Van de vrije albumine kan men vier graden van oplosbaarheid onderscheiden: I°. Oplosbaarheid in neutrale zouten van elk gehalte *). 20. „ // „ u // gemiddelden concentratiegraad. 3». ii u verdunde alkaliën en zuren. 40. // sterke alkaliën en zuren. Naarmate de energie en de concentratiegraad van het gebezigde alkali of zuur grooter, de duur der inwerking langer en de temperatuur daarbij hooger is, wordt de vrijgestelde albumine minder oplosbaar gevonden. De door alkaliën en de door zuren vrijgemaakte albumine verhoudt zich, wat hare oplosbaarheid betreft, volkomen gelijk, maar daaruit volgt natuurlijk nog niet, dat de onder beide omstandigheden vrijgestelde albumine geheel dezelfde is; het tegendeel is zelfs' meer waarschijnlijk te achten. Deze inwerking der alkaliën en zuren wordt door de neutrale middenzouten van alkaliën (Na Cl) belemmerd. Naarmate het zoutgehalte hooger is, jjehoeft men meer alkali eii meer zuur om dezelfde uitwerking te verkrijgen. *) Alleen bij verzadiging der zout-oplossing (NaCl) slaat de alljamite neer en dan zelfs nog niet geheel.