Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat namelijk het Departement Amsterdam de j| woede bedoeling van zijn voorstel betreffende het aannemen van „algemeene leden” nader had toegelicht, meende het tevens ter sprake te moeten brengen //de nwijze, waarop de Jledactie van het P'harmaceutisch „Weekblad bij dat en alle overige Voorstellen de behan – //deling er van heeft vooruitgeloopen en door het geven //van ongevraagde adviezen op de vrije beraadslaging in //deze Vergadering een niet gewenschten invloed heeft //uitgeoefend.” De afgevaardigde uit Rotterdam meende dat °het de Redactie van ieder Blad vrijstaat hare meening op hare wijze te uiten. Bij de beoordeeling van Regeeringszaken is dit niet anders. De Voorzitter der Vergadering merkte toen op, „dat de meening van het //Departement Amsterdam in zake dein het Pharma//ceutisch Weekblad gegeven, doch ongevraagde adviezen //ook door het Hoofdbestuur wordt gedeeld” en verklaarde „geen verdere discussie over deze quaestie te //kunnen toestaan.” Eigenlijk zou men de meening van Departement Amsterdam en Hoofdbestuur als een compliment kunnen beschouwen aan de Redactie van het Pharm. Weekblad, alsof deze zulk een grooten invloed zou hebben, meer dan zij zelve zich durft voorstellen, maar geenszins als een compliment aan de ter vergadering getogen afgevaardigden, alsof deze zoo weinig zelfstandigheid zouden bezitten, dat zij door invloed van buiten de vrijheid der beraadslagingen daaraan zouden prijsgeven. Maar noch het een noch het ander lag zeker inde bedoeling. De zonderlinge uitval is het gevolg een er gevoeligheid over verschil van overtuiging, die een ander den moed had uitte spreken. //Nul n’aura de Pesprit que nous et nos amis”. Wij meenden, dat de toepassing dezer stelling in het vergeetboek geraakt was. Een zonderlingen uitval noemen wijde aanmerking van verlichte en vroede Nederlandsche mannen op de vrijheid der pers, op de uiting der openbare meening. De pers aan banden te leggen, de uiting der vrije meening te breidelen gaat voorwaar zoo gemakkelijk niet als met een hamerslag van den Voorzitter de discussies te sluiten over onderwerpen, die minder aangenaam zijn. Indien de te behandelen onderwerpen vooraf enkel onder de leden der Maatschappij verspreid en bekend werden, dan zouden wij ons kunnen voorstellen, dat de Redacteur als lid der Maatschappij witgenoodigd werd voortaan zijne voorloopse beschouwingen mede te deelen aan het Departement, waarvan hij de eer heeft lid te zijn, dus in den boezem der Maatschappij te behandelen. Maarde staat der zaken is immers geheel anders. Bij Haaxman’s Nieuw Tijdschrift voor de Pharmacie, tevens Orgaan van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Pharmacie ontvangt niet de Redacteur als lid, maarde Redactie als abonnent de Berichten der Maatschappij aan het Tijdschrift verbonden. Die Berichten worden daardoor publiek domein en al hetgeen er in voorkomt, kan en mag door elk en een iegelijk, lid of geen lid, in het openbaar besproken worden, zonder dat eenig recht gekrenkt wordt. . Wanneer de Regeering een voorstel indient, zal de Maatschappij niet aarzelen dit openlijk te bespreken, bij verschil van meening adressen aan de Kamerleden op te zenden, enz. Worden die adviezen gevraagd? Mag dit heeten een //niet gewenschten” invloed uitoefenen op de Kamerleden? .. //De wijze, waarop.” Wij zijn ons met bewust bij de behandeling van de Voorstellen in het Weekblad, in eenig opzicht te kort te hebben gedaan aan de achting, die wij aan de Maatschappij, haar Bestuur en hare leden verschuldigd zijn. „Ongevraagde adviezen”, maar welke Redactie wordt ooit om adviezen gevraagd? Wij meenen, dat het juist tot de roeping der Redactie vaneen Blad behoort, aan ziine lezers te adviseeren inden vorm van mededeeling van hare overtuiging en vandoor haar nuttig geoordeelde wijzigingen. . //Niet gewensebte invloed.” Een invloed bij liet in behandeling nemen vaneen voorstel kan alleen dan //niet gewenscht” zijn, wanneer de geheel tegenovergestelde bedoeling in vijandigen zin gegeven wordt. Onze bedoeling, en niemand (ook niet het departement Amsterdam en het Hoofdbestuur) kan dit betwijfelen, is dezelfde als die der Maatschappij; //bevordering der pharmacie.” Vijandige zin kan ons dan ook niet worden toegedicht en dat deze zeker niet bij ons heerscht, maar dat wij integendeel met de Maatschappij willen medegaan, is nog duidelijk gebleken in het voorlaatste nommer, ° waarin wij op uitnoodiging van den Algemeenen Secretaris, ook namens het Hoofdbestuur, aan het aangenomen voorstel der Algemeene leden meerdere bekendheid gaven en het ondersteunden, omdat wij, hoewel wij weinig heil daarvan verwachten, het goede

doel voor oogen hielden. Blijkt het, dat zich een groot aantal algemeene leden aanmeldt en dat dit strekt tot bevordering van den bloei der Maatschappij, wij zullen de eerste zijn om te erkennen, dat wij in onze opvatting dwaalden. Wij mogen niet ontveinzen, dat wij het vrij wat beter houding hadden geacht van het Departement Amsterdam, indien het zich met zijne bezwaren gewend had tot de Redactie van het Weekblad, in stede vaneen uitval te doen in eene Vergadering, waar de Redactie niet inde gelegenheid was zich te verdedigen. Zoo ook was het naar onze meening gepaster geweest van den Voorzitter, indien hij na het ter sprake brengen door het Departement Rotterdam //van enkele voor //de pharmaceuten onaangename uitdrukkingen, voorko//mend ineen ingezonden stuk van het Pharm. Weekblad van 2 Juni/’ dit departement verwezen had naar de Redactie van het Weekblad, in plaats vanuit de hoogte uitte spreken //dat de anonymiteit het reeds bij voor//baat alle aandacht onwaardig maakt”. De Redactie had dan verder kunnen wijzen naar haar onderschrift onder het geïncrimineerde stuk, waaruit blijkt, dat zij het met den schrijver geheel oneens is. Het voorgevallene inde Algemeene Vergadering kan en mag de Redactie van het Pharm. Weekblad niet terughouden of doen schromen op haar onbevangen en onpartijdig standpunt bescheiden maar vrijmoedig haar oordeel uitte spreken, waar zij dit in het belang der zaak nuttig en noodig acht. Door v. J. worden de volgende vragen gesteld: I°. Wie heeft meer recht van bestaan volgens de tegenwoordig in werking zijnde Geneeskundige wetten: de apothekers-adsistent ingeschreven volgens de oude wet of de geëxamineerde leerling-apotheker (apothekersadsistent nieuwe wet), welke altijd een heëedigd persoon is ? 2°. Kan de apothekers-adsistent oude wet, zich uitgeven voor hulp-apotheker zonder examen? zoo ja, op welke gronden? Ad I°. Recht van bestaan volgens de wet heeft de apothekers-adsistent oude wet, even goed als de apothekersadsistent nieuwe wet, want beider rechten worden bij de geneeskundige wetten erkend. In wettelijken zin staat de apothekers-adsistent nieuwe wet, boven die der oude wet, want aan eerstgenoemde is bevoegdheid toegekend volgens art. 1 van Wet IV; laatstgenoemde had geen bevoegdheid volgens de oude wet, kon deze dus niet door eene overgangsbepaling zien bestendigd, maar hij mag, volgens art. 34, al. 2, de diensten blijven bewijzen inde apotheken, die hij onder de oude wet verleende. De apothekers-adsistent nieuwe wet, is aansprakelijk voor de door hem begane overtredingen der wet, terwijl bij de vroegere wetgeving de apotheker zelf voor alle overtredingen aansprakelijk was en dus bij den apothekers-bediende oude wet ook nu blijft. Deze is de wettelijke toestand, de feitelijke daarentegen dat de apothekers inden regel de voorkeur geven aan de apothekers-adsistenten oude wet, die wegens meerdere en langdurige ondervinding inde praktijk geschikter blijken. Ad 2°. Nooit kan een apothekers-adsistent oude wet zich met eenigen grond zonder examen voor een hulp-apotheker uitgeven. Naar aanleiding van de vraag over//het verschil inde //kosten van het onderwijs inde pharmacie aan de Uni//versiteit te 'Amsterdam en de Rijks-Universiteiten” (in No. 15) ontvingen wij vaneen studentin de pharmacie een brief, die de volgende bijzonderheden behelsde, welke, al geven zij geen volledig antwoord op de vraag wat de gelden betreft, betrekking hebben op den omvang van het onderwijs en de hulpmiddelen, zeker hooger te schatten dan eenig geldelijk belang, en waaraan wij dus, onder dankzegging aan den schrijver, gaarne eene plaats verleenen. Te Leiden liet Prof. van der Burg op de series van dit jaar zetten: //Chemiam pharmaceut. Chemiam forens, //et Chem. analyt. docebit horis post hoc_ indicandis //simultaque laboratorium paratum erit.” Hier is men dus niet verder dan 1.1. jaar, van model-apotheek geen sprake en volgens geruchten zou Prof. v. d, B. misschien een aangekocht pakhuis tot laboratorium inrichten. Het aantal pharmaceutische studenten bedraagt hier nul. Men kan even als overal voor het semi-candidaatsexamen werken, maar is dit afgeloopen, dan is hier niets meer te behalen. Prof. Suringar alleen trekt zich nog pharmaceuten aan (zoo zij er waren), want bij hem is volgens de series tweemaal per week in zijn fraai laboratorium gelegenheid voor microscopie tegelijk met de medici.

Te Groningen wordt prof. Plugge eiken dag verwacht. Het is nog onbekend welke en hoeveel colleges hij zal geven; zeer waarschijnlijk zal hij echter alle colleges geven, die tot heden prof. Tjaden Modderman over pharmaceutische chemie gaf. Of prof. Plugge het college over toxicologie ook onder pharm. chemie kan en mag brengen, is eene nog te beantwoorden vraag. Is zulks mogelijk, dan zal prof. de Boer waarschijnlijk ook microscopie en botanie beschouwen als botanie en dan zullen de pharm. studenten slechts ƒ6O hebben te betalen, zijnde voor 2 examenvakken. Deze regeling bestond in Amsterdam niet, maar aldaar werd tot heden pharm. botanie of beschrijving van planten, microscopie en pharmacognosie elk afzonderlijk als college beschouwd en moest ieder college met f3O betaald worden. Een pharmaceutisch laboratorium zal te Groningen gebouwd worden op eene plek gronds, grenzend aan den Hortus. Yoorloopig blijven de pharm. studenten in het Chemisch laboratorium werken. Te Amsterdam wordt het Chemisch laboratorium door de chemici ontruimd en zal voor de chemici een nieuw laboratorium gebouwd worden, waarvoor ƒ 26,000 is geraamd *) en hetwelk in hoofdzaak onder de leiding van prof. van ’t Hoff zal komen. Prof. Gunning zal dan in het pharmaceutisch laboratorium als chef optreden. Het chemisch laboratorium zal verrijzen naast het pharmaceutisch laboratorium en aanvangen met de tegenwoordige kamer van prof. Gunning, die doorgetrokken wordt door het laboratorium van zijn adsistent over de plaats met eene bocht door het tuintje van de Bngelsche pastorie (welke plek gronds met November aan de gemeente komt) tot aan de Groeneburgwal. De vraag blijft nog of men te Groningen steeds het vrije gebruik zal geven van glaswerk en instrumenten zooals tot heden, ook wanneer zich meer hulp-apothekers aldaar vestigen. Te Amsterdam is deze zaak aldus geregeld: Grootere uitdampschalen, kolven en meer gecompliceerde toestellen zijn steeds op aanvraag te verkrijgen ; het overige schaffen de pharm. studenten zelven aan. Dit komt op ongeveer f 70, verdeeld over den geheelen studietijd met inbegrip van areometers, thermometers en gewichten. Eene modelapotheek wordt te Groningen nog niet genoemd. Te Amsterdam is de modelapotheek met laboratorium voor galenische bewerkingen in het Oude Mannenhuis bijna voltooid. Te Groningen eindigde de cursus met 14 pharm. studenten, waaronder 9 hulp-apothekers; te Amsterdam met 30 pharm. studenten, waaronder 15 hulp-apothekers, terwijl later nog 5 studenten het examen voor hulp-apotheker afgelegd hebben. Voor de examencommissiën in Sept. gaan 9 candidaten voor het hulpapothekers-examen, 6 candidaten voor het apothekersexamen, waaronder 4 candidaten uit Groningen. De kosten dus voor de studie te Amsterdam zijn ƒ 200 ’sjaars; gaat men te Groningen op den vorigen weg voort, en is dit met de bepalingen der wet overeen te brengen, dan zal die som aldaar natuurlijk minder bedragen. Te Amsterdam zijn 2 prof. in Chemie: Gunning en van ’t Hoff; 2 prof. in Botanie: Oudemans en de Vries; 2 prof. in Pharmacie: Gunning en Stoeder. Prof. Gunning doceert toxicologie; Prof. Oudemans pharmacognosie en beschrijvende plantkunde. De verdiensten van de reeds lang bij het onderwijs werkzame docenten zijn voldoende bekend en erkend, en ook van de nieuwe prof. mag men goede verwachtingen koesteren. De verdeeling der vakken te Groningen tusschen prof. Plugge en prof. de Boer zal eerst later blijken, zoodra eerstgenoemde in functie getreden is. Van Utrecht had onze referent nog geene berichten ontvangen, maar vertrouwt deze ook weldra te kunnen mededeelen. Te Praag is de „gymnasial-professor” Aug. Flinke als offer 'der wetenschap gevallen. Hij had zich tot vraagstuk gesteld, de vergiftige eigenschappen van cyaankali um op te heffen en meende het middel daartoe gevonden te hebben in eene bijvoeging van chloorammonium. Het gebruik van zulk een mengsel, hetwelk naar zijne meening niet meer vergiftig was, kostte hem het leven. Dr. C. P. Plugge, Directeur van het pharmaceutisch instituut in Japan, is in het vaderland terug gekeerd en zal bij het begin van den nieuwen cursus het hoogleraarsambt inde wis- en natuurkundige faculteit aan de Rijks-üniversiteit te Groningen aanvaarden. (Nieuws v.d. U.) *) De voordracht tot het verbouwen en uitbouwen van het scheikundig laboratorium met de op ƒ 26,000 geraamde kosten is inde vergadering van den Amsterdamschen gemeenteraad, 10 September, aangenomen.

Sluiten