is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 15, 1878-1879, no 27, 03-11-1878

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

//geëindigd was”, en den gedaagde werd toegestaan den eischer op te dragen den eed af te leggen, dat het niet waar was, dat hij op voormelden datum het vertrek had goedgekeurd. Die eed is door den eischer afgelegd en daarmede de zaak beslist, zoodat de apotheker is veroordeeld tot uitbetaling van het salaris tot 1 April en inde kosten, die eene zeer aanzienlijke som bedroegen. Van het vonnis des kantonrechters kon niet in hooger beroep gekomen worden, omdat volgens'onze tegenwoordige rechterlijke wetten, de hoofdsom daartoe te gering was (minder dan ƒ 60 bedroeg), bij welke bepaling echter niet in het oog gehouden schijnt te zijnde aanzienlijke som van proces-kosten, over wier betaling dooreen der partijen nu door één persoon beslist wordt. Apothekers-adsistenten weten, dat ik hen hoogschat en hunne werkzaamheden inde apotheken op prijs stel, dat ik ze maatschappelijk ver boven onze gewone bedienden en werklieden acht, maar toch is het mij onbegrijpelijk, hoe inden zin der burgerlijke wet de artikelen betreffende dienst- en werkboden als niet op hen toepasselijk verklaard worden. Daar waar in het aangehaald vonnis verhoor op vraagpunten geëiseht werd, wordt wel degelijk op een dier artikelen gewezen en de apotheker, even als daar //de meester” genoemd. De fiscus denkt er ook zoo over en laat de apothekers belasting betalen voor hunne adsistenten, ze schikkende onder de dienst- en werkboden. Nu zou een gewoon menschenverstand meenen, dat waar eene van ’s lands bepalingen zoo duidelijk spreekt en handelen laat, er in geene andere wetsbepaling tegenspraak kan gemaakt worden, maarde rechtsgeleerdheid blijkt dit anders te begrijpen. De kantonrechter te Apeldoorn rangschikte voor eenige jaren de apothekers-adsistenten onder de dienst- en werkboden en zijn vonnis was daarop gegrond, zijn ambtgenoot te ’s Hertogenbosch echter verwierp dit geheel en wij vernamen van meerdere rechtsgeleerden, dat zij het met het gevoelen van laatstgenoemden eens zijn. Dit leert ernstige omzichtigheid bij verbintenissen van apothekers met adsistenten. Het geval toch kan zich voordoen, dat de apotheker het geraden acht zijn adsisteut onmiddellijk uit zijn betrekking te ontslaan of een adsistent om onmiddellijk zijne betrekking te verlaten. Hoever moet dan de uitbetaling van het salaris gaan, als en nu het blijkt, dat daaromtrent geen vaste gebruiken bestaan? Indien art. 1639 B. W. hier toepasselijk ware, dan staat het antwoord gereed en ineen geval als het bovenvermeld, zou, naar onze meening met het oog op de gesloten overeenkomst, 3 maanden salaris na den dag van 19 December 1877 dus tot 19 Maart 1878 moeten zijn uitbetaald. Daarop was onze .persoonlijke meening, voor den kantonrechter uitgesproken, gegrond. Nu echter dit artikel blijkens het gewezen vonnis niet toegepast wordt en het dus aan de overwegingen van den rechter wordt overgelateu te beslissen of de aangegane overeenkomst al dan niet ter goeder trouw nitgevoerd wercl, is het voor beide partijen, apothekers en adsistenten, hoog noodig, duidelijke, ondubbelzinnige overeenkomsten te sluiten, waarbij geen twijfel omtrent de uitlegging overblijft. Tot aanvulling van het bericht in N°. 24 over de ijsmachine, van Pretzsch, kunnen wij thans berichten, dat de ijsvorming met den uit de oplossing herkregen nitras ammonicus ons op gelijke wijze weder goed gelukt is. Alleen is ons gebleken, dat, wil men den binnenbak voor "V4 met in ijs over te brengen water vullen, men eene hoeveelheid van 2 kilogram nitras ammonicus met 2 liter water moet bezigen. Yan groote beteekenis is voorzeker de Internationale Vereeniging voor het drinkwater, onlangs door toedoen van den heer J. G. Jager, te Amsterdam, opgericht, en met voldoening zien wij vermeld, dat hooggeplaatste buitenlanders zich aansluiten, om tot de juiste kennis van den toestand van het drinkwater op verschillende plaatsen te geraken.

De zaak heeft temeer beteekenis na de meeningen inde laatste tijden door sommigen geuit, dat het verband tusschen den toestand van het drinkwater en de volksgezondheid nog niet voldoende bewezen is. De heer Wolthers, apotheker te Dokkum, verzoekt ons te vragen naar de quantitatieve analyse van Emser Kesselbrunnerwasser. Volgens Presenius is de verhouding op 1 liter : 0,980 gram bicarbonas natricus, 0,505 chloretum natricum, 0,250 sulphas kalicus, 0,117 bicarbonas calcicus, 0,092 bicarbonas magnesicus, verder geringe hoeveelheden sulphas natricus, ijzer, mangaan, baryum en strontiumverbindingen en kiezelzuur. Weledele heer. Wel hebt gij gelijk in uw oordeel, dat de Verordening betreffende hel toezicht van den verhoop van voedingsmiddelen voor Amsterdam veel van hare beteekenis zal missen, zooals gij te kennen geeft in n°. 25 van het Pharm. Weekblad, omdat men alleen vermenging der eetwaren met voor de gezondheid schadelijhe stoffen strafbaar stelt. Wanneer hoofden der gemeenten, ambtenaren van politie en justitie en allen, wie het is opgedragen te waken voor de veiligheid en het levender burgerij, ernstig en eenstemmig willen, is ten dezen opzichte geene afzonderlijke verordening noodig en zal in allen gevalle slechts weinig tot stand brengen als men nagaat, dat eene verordening hetzelfde onderwerp betreffende voor het geheele land, nl. eene Eijkswet gedurende eene halve eeuw niets heeft uitgericht niet alleen, maar dat onder hare werking (eigenlijk niet-werking) de toestand gaandeweg is verergerd. Ik bedoel hier art. 318 van ons Nederlandsch Wetboek van Strafregt, luidende: //Al wie vervalschte dranken, die schadelijke inmengz/sels voor de gezondheid bevatten, verkocht of vertierd //zal hebben, zal gestraft worden met eene gevangen//zetting van zes dagen tot twee jaren en eene geldboete //van zestien tot vijfhonderd franken” en vooral de meer algemeene toepassing, welke dit artikel heeft verkregen door de Wet van 19 Mei 1829 (Stbl. n°. 35): //Art. 4. Bij uitbreiding en wijziging van art. 318 //van het Wetboek van Strafregt worden de bij dat //artikel vermelde strafbepalingen, bij deze, van toepas//sing verklaard op een iegelijk, die tot verkoop of tor //uitdeeling bestemd brood, eet- of drinkwaren of derz/zelver bestanddeelen, met voor de gezondheid schade//hjke stoffen zal hebben vermengd, doen vermengen of //eenige dier eetwaren, drinkwaren of derzelver bestand//deelen, met voorkennis van zoodanige vermenging ver//kocht of vertierd of uitgedeeld zal hebben, of gepoogd //zal hebben dezelve te verkoopen en te vertieren, uit //te deelen of te doen uitdeelen”. Het is hier de plaats niet om aan te toonen waarom deze Wet altijd een doode letter is gebleven evenmin om te bewijzen, dat zelfs vervalsching van melk met water uithoofde dezer artikelen meermalen zou kunnen gestraft worden. Alleen wil ik er op wijzen, dat de op zich zelf niet schadelijke eigenschappen van vervalschingsmiddel geen reden behoeft te zijn, de bovengenoemde artikelen niet toepasselijk te verklaren. De hevigste vergiften (arsenik, strychnine, opium) kunnen onder omstandigheden niet schadelijk zijn voor de gezondheid, terwijl omgekeerd het bijgevoegde water de gezondheid schade toebrengt, door de voedingswaarde en voedingskracht van de melk te verminderen. Men wane niet dat zulk eene contradictio in terminis als schadelijkheid eener onschadelijke zelfstandigheid onaannemelijk is; zij komt meermalen voor. —. Zoo spreekt men b. v. inde gerechtelijke geneeskunde van eene niet doodelijke, doodelijke verwonding of eene doodelijke verwonding, die den dood niet tengevolge heeft en omgekeerd; eveneens vaneen niet-levensvatbaar kind, dat somwijlen eenige uren of zelfs dagen kan leven. Allicht zijn er onder uwe lezers, leden van gezondheidscommissiën of andere corporaties, die naar wapenen zoeken om de knoeierijen der leveranciers van levensmiddelen te bestrijden, ik achtte het niet ongepast, naar aanleiding uwer opmerking over de Amsterdamsche verordening, hunne aandacht te vestigen op de bovenaangehaalde wet, voor zooverre deze hun onbekend mocht zijn. Ik heb de eer te zijn met achting Uw dienstw. dien. Steenbergen, 29 Oct. 78. Dr. G. W. Beüinsma.

Men vraagt onze meening over de berekening van Pilulae cum asa foetida in gelatina, bereid naar bet volgende voorschrift: Jf : asae foetidae 5,0, pulveris radicis et succi liquiritiae aa q. s. M. f. pilnlae N°. 60. Het komt ons voor, dat de berekening voor het gereedmaken van pillen in poeder gewikkeld (4de categ.) bij deze moeilijker manipulatie met 50 pet. moet verhoogd worden, zoodat de prijs voor het recept worde: 5 gram asa foetida . . ƒ 0,20 2.5 // pulv. rad. liquir. // 0,015 2.5 // succ. . „ 0,035 gereedmaken 60 pillen in gelatine (4de cat.) . . r/ 0,75 ƒ 1,00. Tevens wordt ons daarbij de methode opgegeven, volgens welke deze omwikkeling met gelatine het fraaist geschieden kan. De pillen worden na afronding eerst sterk gedroogd, bijv. op verwarmde deksels van extractpotten. Men maakt verder eene oplossing van 2 deelen gelatina in 5 deelen gedestilleerd water, schudt de gedroogde pillen daarin gedurende een paar seconden en brengt ze dan direct op perkamentpapier, om de gelatinelaag te doen stollen en hard worden. Men had ook beproefd de pillen één voor één op eene naald inde gelatine-oplossing te dompelen, maar die arbeid bleek al te tijdroovend. Geachte Eedacteur, Waar aanleiding vaneen voorschrift voorkomende inde laatste Berichten van de Nederlandscke Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie bladz. 50, tot bereiding van Syrupus Lacto-phosphatis calcici, neem ik de vrijheid op te merken of deze bereiding niet eenvoudiger kan plaats hebben, dan door behandeling van phosphas calcicus met acidum lacticum etc. of door oplossing van lactas calcicus in phosphorzuur, op eene wijze zooals die door mij gevolgd is, voordat ik genoemde Berichten ontving. Toen mij toch voor de eerste maal naar dit praeparaat werd gevraagd, heb ik, onbekend met eenig voorschrift, lacto-phosphas calcicus cryst. solubilis, dien ik in magazijn heb, in water opgelost en tot siroop gemaakt. Het bleek mij dat 5 percentige siroop gelatineerde, hetgeen niet geschiedde bij een praeparaat dat 1.5 percent lacto-phosphas calcicus bevatte. Deze bereidingswijze is, dunkt mij, zoo eenvoudig, dat als er geen ernstige bezwaren tegen bestaan, zij werkelijk alle aanbeveling verdient. Met belangstelling heb ik gezien wat de heer Warming ons te lezen gaf over Balsam. antarthriticum indicum/ en wel verre van aan de woorden van den heer N. of aan die van de firma Elnain & C°. te Frankfort a./m. geen waarde te hechten, zoo vind ik het toch niet onbelangrijk om hier te vermelden wat de firma Gehe & C°. in haar Handelsbericht in September j. 1. over dit artikel zegt, temeer daar dit boekje niet zoo algemeen verspreid is. //Balsam. antarthriticum indicum, der jetzt wieder vielfach angepriesene Indische Jicht-und Kheumatismus-Balsam, scheint aus nichts anderem als aus gurjuubalsam zu bestehen, wird aber allerdings auf einem mehr als .zehnmal so hohen Preise gehalten.” Alvorens ik dit gelezen had, bestelde ik bij de firma Gehe & C°. eene hoeveelheid Balsam. antarthriticum indicum en werd teleurgesteld, toen mij Balsam. copaivae ostindicum hiervoor gefactureerd werd, die ik niet verlangde. Ik geloof dat men dus voorzichtig doen zal met voorloopig het oordeel hierover niet te stellig uitte spreken, doch te trachten zich hieromtrent meer zekerheid te verschaffen. Met plaatsing van bovenstaande zult u verplichten Uw dw. dienaar, Dordrecht, 27.10.1878, A. J, A. de Bosson, Persoonlijke aangelegenheden. Overleden te Maastricht de heer J, L. Verhuist apotheker aldaar. Door den heer Demelinne is diens zaak overgenomen en met de zijne vereenigd. Door den Gouv.-gener. van Nederl. Indië is bevorderd tot milit. apoth. Ie kl. de id. 2e kl. J. Heringa. Openlijke correspondentie. Wegens plaatsgebrek het artikel van C. P. ten H. te A, in het volgend nommer.