is toegevoegd aan je favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 15, 1878-1879, no 49, 06-04-1879

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nover die zaak zou veel te zeggen zijn” (N°. 60 der Ideën van Mnltatuh) o. a. : dat zij, die de levenseerzekering-Maatschappijen overslaande, zelf willen besparen, een belangrijken factor over het hoofd zien, die hen onder die bezigheid kan overvallen n. 1. den dood en dan is het bereids overgelegde dikwijls onbeteekenend tegenover de behoeften vaneen achterblijvend huisgezin. Overigens bracht het bewuste gesprek mij een gesprek in herinnering, dat ik zelf inde maand September van het vorige jaar hield met een zeer geacht Amsterdamsch apotheker, die zich dit zeker herinneren zal, als hij deze regelen leest. Wij trokken naar Utrecht en smaakten het genot vaneen uur stilstand te Abcoude wegens een gebrek aan den locomotief van een sneltrein. Mijn gewezen collega deelde mij o. a. mede, dat sommige adsistenten bezwaar maakten tot het fonds toe te treden, omdat ik voor mijne bemoeienissen een administratie-loon //trok”. Derhalve hetzelfde bezwaar als tegen de Levensverzekering-Maatschappijen van Linborn maar thans zonder een schijn van grond. Ik kan aan //sommige adsistenten” de verzekering geven, dat ik nooit een cent //getrokken” heb, evenmin teruggave heb verlangd van verschotten ten behoeve van het fonds en dat alle werkzaamheden het bestuur betreffende geheel belangeloos worden verricht door onzen geachten Secretaris-Penningmeester, den heer Kruijsse. Op 26 dezer schreef ZEd. mij het volgende: //Een paar weken geleden zult ge in het Weekblad i/bespeurd hebben, dat wijde belangen van het pensioenfonds niet uit het oog verliezen en daarom her//innerd hebben aan de bepalingen van het reglement. //Het heeft echter tot dusverre niets gebaat; één ad//sist ent heeft een reglement gevraagd, dat heb ik on//middellijk gezonden en verder niets meer vernomen. //Wanneer de zaak niet verder gesteund wordt door //de adsistenten, geloof ik, dat het fonds onmogelijk ,/beantwoorden kan aan het voorgestelde doel. Yan //lieverlede zullen de begunstigers minder worden, ook //het aantal leden en derhalve de inkomsten te gering //om aan eene iets beteekenende uitkeering te denken. //’t Is jammer, vooral nu wij reeds een kapitaaltje //van ƒ 6000 nominaal 2£ pet N. W. S. bezitten. //Zou het niet goed zijn, indien door u nog eens //wierd gewezen (in het Weekblad) op het belang der //zaak in verband met de tweede alinea van art. 6 van //het reglement?” De heer Kruijsse ziet dat ik er geen gras over laat groeien, doch tevens weinig meer doen kan, dan zijn schrijven over te nemen. Al. 2 van art. 6 luidt: wNa een tijdsverloop van twee jaren na de oprich//ting wordt niemand als lid aangenomen, die zich na //zijn of haar dertigsten verjaardag heeft aangemeld.” In art. 1 wordt gezegd : //Het doel van hel fonds is, om aan apothekers//adsistenten pensioen te verzekeren. Dit doel wordt //bereikt door onderlinge bijdragen der leden gesteund //door de hulp van patroons en particulieren/’ Derhalve; het fonds beoogt de geldehjke schade, die voor apothekers-adsistenten ontstaat uit leeftijd (of ongeschiktheid tot werken) te verdeden overeen groot aantal personen. Wie nu een goedkoopere kans weet dan ons fonds om wat voor den kwaden dag te doen, die melde zich aan en bewijze zijne collega’s een weldaad! Met zorgeloozen en onverschilligen is natuurlijk niets aan te vangen, maar het zou kunnen zijn, dat sommigen bezwaren hebben tegen enkele bepalingen van het reglement. Voor dezulken is Art. 33 geschreven: //Voorstellen tot verandering in dit reglement moeten //uiterlijk inde maand April bij gemotiveerd schrijven //gezonden worden aan den Voorzitter.” Wie van dit artikel wenscht gebruik te maken en er tegen opziet eene met redenen omkleede wijziging van het reglement voor te stellen, kan zich gerust met een onkel woord bij mij aanmelden. Ik zal gaarne

al het werk doen en het is morgen 1 April, nog eene geheele maand voor de borst. Overveen, 31 Maart 1879. P. J. van Eldik Thieme. Ik heb in langen tijd niet van het Pensioenfonds gerept, omdat het werkelijk niet opwekkend is, in het belang eener onderneming te moeten pleiten, voor welke de buitenwacht geheel belangeloos, ja met opoffering van geld en tijd werkzaam is, terwijl de belanghebbenden zelven geheel stil zitten, ja onverschillig schijnen. Het doet mij inmiddels genoegen, dat mijn geachte vriend Thieme weder in eene tijdsaanwijzing gelegenheid vindt een hartelijk woord te spreken. Wras inden laatsten tijd de opleiding van apothekers-adsistenten in het Weekblad aan de orde, daaraan knoopt zich geleidelijk de zorg tot verzekering van de toekomst, wanneer men eenmaal in dien stand getreden is. Mochten nog vele adsistenten hun eigenbelang leeren inzien en de pogingen op prijs stellen, die door de apothekers in hun bestwil worden in het werk gesteld, opdat niet eenmaal de betoonde onverschilligheid als beschuldigend antwoord op klachten van den ouden of kwaden dag tegenklinke. Bedacteur. Bericht over de Gouvernements-Kina-onderneming op Java gedurende het 4de kwartaal 1878, door dr. J. K. Haskarl. (Overgenomen uit het Bharmaceutischen Handelsblatt, Supplement der Bunzlauer Pharmaceuiische Zeitung van 26 Maart.) Gedurende het laatste kwartaal was het weder voor den arbeid zeer gunstig, maar reeds inde eerste dagen van November begon de regen en duurde sinds dien tijd aanhoudend voort. Tegen het einde van December veroorzaakten hevige winden veel schade, vooral aan de etablissementen te Nagrak en Kendeng Patuha, alwaar de gebouwen zeer te lijden hadden en honderden van kina-boomen ontworteld of gebroken werden. Op tijd gehuurde arbeiders verrichtten 19,910 dagdiensten. Een groot deel der planten, die zich inde kweekerijen bevonden, kon inden vollen grond overgebracht worden; hun aantal bedroeg 47,310 Cinchona Calisaya ledgeriana, 43,485 C. officinalis en 24,550 C. succirubra. Deze overplanting werd door het heerlijkste weder begunstigd en de jonge planten staan in het algemeen uitstekend. Met den aanvang van den regen moest in het begin van November de oogst plaats hebben; in het geheel werden 121,343 Amsterdamsche ponden kinabast ingeoogst en daarvan 112,321 pond voor de Europeesche markt bestemd, 9022 pond voor den militairen dienst op Java gelaten. Het vervoer ging in het algemeen gedurende de laatste maanden slechts langzaam, dewijl het trekvee, hetwelk anders door de inlandsche bevolking daartoe verhuurd wordt, door deze thans voor het bewerken der rijstvelden gebruikt, moest worden. Voortdurend werden zaden der Cinchona Calisaya Ledgeriana afgeleverd; dewijl deze soort ditmaal later dan in het vorig jaar bloeit en zich thans eerst eenige knoppen vertoonen, zoo zal het zaad ook eerst later rijp worden en aldus wel niet voor November of December 1879 ter beschikking komen. De proeven met gedeeltelijk schillen der kleine stammen en met de bedekking met mos worden voortgezet; de nieuw gevormde bast van Cinchona succirubra vertoont een aanzienlijk verschil met den oorspronkelijken. De waarde van den bast wordt daardoor aanmerkelijk verhoogd, dewijl bij de vernieuwing het kininegehalte bijna het drievoudige wordt, hetwelk bij C. succirubra duidelijk bleek, terwijl bij de andere soorten de bast nog te jong was, dan dat men een duidelijk beeld van de veranderingen, door het //mossings-system” der Engelschen voortgebracht, kon verkrijgen. Ook de oorspronkelijke bast, die een jaar onder een moshedekking gebleven

was, verbeterde daardoor in gehalte van het kostbare alcaloïde. De analysen verdienen eene bijzondere opmerkzaamheid ; zij zijn van vierjarige zaailingen der C. Calisaya Ledgeriana. De planten, die op de moederplant het meest geleken, hadden ook basten van mindere deugdzaamheid, terwijl die boompjes, welke het meest met den typus der moederplant overeenkwamen, ook een kininegehalte vertoonden, hetwelk voor zulke jonge boompjes reeds zeer hoog te achten is (3.17—3.51 pet.), Vooral in deze richting moeten de scheikundige onderzoekingen voortgezet worden, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te verkrijgen over de vraag, hoe ver de zaailingen der Cinchona Calisaya Ledgeriana overeenstemmen met den moederboom, waarvan zij afkomstig zijn. Het bij het Bericht gevoegde overzicht van het aantal kinaboomen inde verschillende plantsoenen vertoont in het geheel eene toeneming van 144,331 boomen; daaraan hebben de boomen inden vollen grond voor 62,805 *); de jonge planten inde kweekerijen voor 81,516 deel. Bij nadere beschouwing vindt men, dat de boompjes van C. Calisaya Ledgeriana en Haskarliana inden vollen grond 6150, van C. succirubra en C. Caloptera 17,539, van C. officinalis 39,416 toegenomen, daarentegen van C. lancifolia 300 verminderd zijn. Inde kweekerijen daarentegen zijnde planten van C. Calisaya Ledgeriana met 114,466 toegenomen, die van C. succirubra met 15,956 en die van C. officinalis met 17,000 verminderd. De geheele som van de kinaboomen, met inbegrip van 336,750 planten inde kweekerijen, bedraagt 2,378,692, die der boomen van C. Calisaya Ledgeriana en C. Haskarliana inden vollen grond tezamen 1,296,559, terwijl het cijfer van alle overige boomen gezamenlijk 776,983 bedraagt en hiervan teltC. officinalis de meeste, namelijk 535,171 boomen. Onder de 1,296,599 boomen der C. Calisaya Ledgeriana en Haskarliana bevonden zich 36,120 uitstekken en 211,370 uit zaden getrokken, behalve 6300 oorspronkelijke Ledgeriana-planten. Van den oogst van 1878 van kinabasten op Java komt in Nederland te verkoop: C. Succirubra 48,525 £ kg. met een alcaloïdengehalte van 6—lo pet. )t Cal. Javan, 23j494 y y y // 2——7 y y )/ Sdmhkr. 18,653 y II n ;; y y 1,3—6 y m y Angl. 320 „ y y h y »4,8 y n y I'ödger. 8,007 y y y y y y 5,3 9,5 y ii Haskarl. 12,346 „ , „ „ „ „ 2—5 » y officinalis 2,702 n y y y w » 4—B n y lancifolia 1,516 w w n „ » „ 4—7 H n Caloptera 1,646 », , „ „ „ 2—5,7 „ n Pahudiana 107 n t, y y u „ 1,5 „ Somma. . . 112,321 i kg. = 56,160,5 kilogram. Wij hebben het van beteekenis geacht, navolgende mededeeling, voorkomende in het Weekblad Tijdschrift Geneeskunde N°. 12, in haar geheel over te nemen, als zijnde van direct pharmaceutisch belang. Qllinetlllll- Onder dezen titel werd onlangs in het NatuwrkundigTijdschrift voor Nederlandsch-lndië een opstel geplaatst door den heer Bernelot Moens, Directeur-Scheiknndige der Gouvernements-kina-onderneming op Java, de strekking hebbende om zijne mindere ingenomenheid te betuigen met zekere advertentiëu inde Indische dagbladen, waarin het quinetum wordt aanbevolen als eene artsenij, welke, als koortswerend middel, de voorkeur zoude verdienen boven de kinine-zouten. Het komt mij niet overbodig voor, de beschouwingen van den heer Moens ineen kort bestek weer te geven. Ook hier te lande is over het quinetum veel gesproken eii geschreven, en. werden er, zoo ik mij niet bedrieg, door de Nederlandsche Eegeering, in verband met voorstellen van den Gouverneur-Generaal van Nederlandschlndië, maatregelen beraamd en reeds tot een begin van uitvoering gebracht om het quinetum fabriekmatig op Java te doen bereiden. Wat dus over dit onderwerp van bevoegde zijde geschreven wordt, behoort tot de geneeskundige wereld door te dringen, en daar nu het. hier bovengenoemde Tijdschrift niet algemeen gelezen *) In liet oorspronkelijke staat 162,865, kennelijk eene drukfout.