is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 9, 1872-1873, no 30, 24-11-1872 [Index]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We onderzochten vervolgens aqua lanrocerasi, afkomstig vaneen handelshuis, die het behoorlijk cyaangehalte had, en ziet, de uitkomst was dat eerst na verloop van 20 minuten eene duidelijke troebeling ontstond. We hebben nog eene proef genomen door bij de zelf

bereide aqua laurocerasi, die de opalisatie zoo spoedig en duidelijk vertoonde, een weinig spiritus rectificatissimus (1 gram op de 15 gram aqua) te voegen. De opalisatie bleef inde eerste uren geheel uit, hetwelk de verklaring kan bevestigen, dat het troebel worden het gevolg is van de afscheiding van olie, die in het laatste geval door den bijgevoegden alcohol wordt opgelost. Eerst na verloop van eenige uren opaliseerde de vloeistof een weinig. Het zou ons aangenaam zijn, indien meerdere collega’s de proeven herhaalden en ons hunne resultaten mededeelden. Zijn ze overeenkomstig de onze, dan kunnen we tot de volgende slotsom geraken: Goede aqua laurocerasi volgens de Pharm. Neerl. Ed. II bereid, moet niet alleen aan de sterkte-proef voor het cyaangehalte voldoen, maar, met -j van zijn volumen ammonia vermengd, m 10 minuten zeer duidelijk opaliseeren, na 20 minuten geheel ondoorzichtig zijn, In het tegenovergestelde’ geval bevat zij te weinig olie en heeft men grond tot het vermoeden, dat het cyaangehalte kunstmatig is aangevuld. Nog iets. We hebben in No. 28 op het gezag van Hager de methode van Buignet met ammoniak en kopersulphaat geschikt genoemd tot het onderzoek van blauwzuurhoudende wateren. Uit het aangevoerde volgt, dat deze methode ongeschikt is voor het bepalen der cyaansterkte van de aqua laurocerasi der Ed. 11. De troebeling, in goede aqua laurocerasi, door de ammonia veroorzaakt, verhindert werkelijk de zuivere waarneming der reactie. Zij kan alleen dienen voor de blauwzuur-houdende wateren der Pharm. Germanica, omdat deze gedestilleerd worden met water en met spiritus. Zoo wordt dan ook de aanbeveling van Hager verklaarbaar. ONDERZOEK VAN BEHANGSELPAPIER EN GEKLEURD GOED. Bij het onderzoek van behangselpapier vond ik bevestigd, wat in Duitsche tijdschriften vermeld wordt, dat niet alleen groene, maar ook andere met anilinekleuren behandelde behangselpapieren arsenik bevatten. Het door mij onderzochte zeer dure papier bezat een bruinen grond en bloemen met fraai roode rozetten, waartusschen zich slechts zeer weinig groene blaadjes bevonden. Het bleek mij, dat voornamelijk de bruine grond, waarin zich fuchsine bevond, arsenikhoudend «'as. Ik verkreeg inden toestel van Marsh een duidelijken arseuikaanslag. Een andere fraaie en dure soort van papier, van eene andere fabriek afkomstig, die niet met anilinekleuren bleek behandeld te zijn, was arsenikvrij. Nog eene andere soort van goedkoop niet gesatineerd groen behangselpapier bleek met chromaatgroen te zijn gekleurd. De vrees voor arsenikkleurstofien is, en niet ten onrechte, bij het publiek zeer opgewekt. Dat deze vrees echter tot verkeerde gevolgtrekkingen kan leiden, bleek mij dezer dagen. Ineen huisgezin was voor een jaar eender kinderen na langdurige ongesteldheid overleden. Een tweede raakte aan het kwijnen en na het lezen van dagblad-arti kelen kwam men tot het sombere vermoeden, dat misschien het groene wiegekleed de oorzaak was. Het werd mij tot onderzoek gegeven. Ik kon de bedrukte ouders echter hierin geruststellen, want de

kleurstof van het wiegekleed bleek mij te zijn een mengsel van indigo en curcuma. Met zwavelzuur verscheen de blauwe kleur der indigo, nader bevestigd door het verdwijnen bij verwarming met salpeterzuur, terwijl het alcoholisch aftreksel van het goed geel was en door de bruine kleurverandering met een alcali tot curcuma deed besluiten. Mijnheer de Redacteur, In het vorig nommer van het Pharm. Weekbl. las ik een artikeltje over de Eucalyptus glohulus, dat mijne aandacht trok, aangezien sedert bijna twee maanden de tinctuur van genoemde plant alhier wordt voorgeschreven en afgeleverd. Daar ik uit uw schrijven moet opmaken dat het gebruik dezer tinctuur verre van algemeen is, hetgeen mij ook bevestigd werd door de firma, van wie ik ze ontving, wijl deze op verzoek van mijn collega alhier en later op het mijne, zoowel de folia Eucalypti als de tinctuur uit Duitsohland heeft ontboden, acht ik het niet overbodig het volgende onder de aandacht uwer lezers te brengen. • De bladen van Eucalyptus globulus, waarvan ik ü ingesloten een paar exemplaren doe toekomen, zijn lederachtig, geelachtig groen, en van verschillende grootte. (Ik vind ten minste onder de mij gezondenen enkelen, die bij eene breedte van 2£ centimeter eene lengte van 30 centimeter hebben, terwijl anderen bij eene breedte van 5£ centimeter eene lengte van slechts 21 centim. bereiken. Deze behooren echter tot de grootste exemplaren; kleinere houden bij 3 centim. breedte 14 centim. lengte. Dit verschil is waarschijnlijk, zooals bij meer planten, gelegen inde hoogere of lagere plaatsing der bladen aan den stam. Voorts zijnde bladen allen naar de rechterzijde eenigszins gebogen, breed- of smal-lancetvormig, spits, oningesneden, onbehaard, fijnmazig geaderd, terwijl zij, even als de bladen van Laurus nobilis, aan den rand verdikt zijn. Over de geheele bladoppervlakte zijn duidelijk oliehoudende cellen waar te nemen, zoodat zij tegen ’t licht gehouden een fijngestippeld voorkomen hebben. De lengte van den bladsteel bedraagt bij breedere bladen 2£ centim., bij smallere tot 5 centim. Nog moet ik opmerken, dat op sommige bladen willekeurige geel-bruine vlekken voorkomen, zoo als men op tabaksbladen aantreft, wat zeker even als bij deze aan den invloed van regen op de levende plant moet worden toegeschreven. De smaak is bitter-aromatiek en heeft m.i. eenige overeenkomst met die van Baccae Lauri ofschoon scherper, Eeuk flauwer aromatiek, bij kneuzing sterker, overeenkomend met 01. Cajuputi. Het geslacht Eucalyptus behoort tot de familie der Myrtaeeae en komt volgens Oudemans talrijk voor op Nieuw-Holland. De species E. globulus vind ik niet beschreven. Volgens den heer Witte schijnt echter deze soort in Zuid-Europa voor te komen. Een voorschrift voor de bereiding van de tinctuur is mij evenmin als u bekend. Die, welke ik ontving door bemiddeling van de firma Pluygers te Eotterdam, is eene donkergeel-groene vloeistof van scherpen, bitteren smaak en eigenaardig aromatieken (eenigszins kamferachtigen ?) reuk, en vaneen spec. gewicht van 0,865. Volgens uw oordeel *) is de tinctuur de beste vorm,, waarin dit geneesmiddel kan worden toegediend. *) Het is de meening der Duxtsche geneeskundigen, die ik mededeelde. Red,