is toegevoegd aan uw favorieten.

Pharmaceutisch weekblad; voor Nederland, jrg 16, 1879-1880, no 2, 11-05-1879

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drogisten, want deze zijn meestal de ondernemers, de aandacht getrokken en het is bovendien dat in deze zoogenaamde //wilde apotheken” werkelijk geneesmiddelen verkocht en zelfs recepten gereed gemaakt en afgeleverd worden. Dat dit laatste strafbaar is en ook bij ontdekking gestraft wordt, is van zelf sprekend. Het is echter gebleken, dat het plaatsen van den naam //Apotheke” voor een winkel die geene apotheek is, zelfs het geven daaraan vaneen uiterlijk voorkomen van apotheek, al bestaat daardoor gevaar, dat het publiek op een dwaalspoor gebracht wordt, voor den rechter niet strafbaar is. Nu de aandacht algemeen gevestigd is op den inwendigen toestand van Eusland, is het ook niet zonder beteekenis op de pharmaceutische aangelegenheden aldaar de aandacht te vestigen. De apotheken inde provinciën bevinden zich volgens een bericht inde Pharm. Zeitschr. f. Eussland ineen treurigen staat. De tijd is niet meer verre, dat men ze sluiten zal. Wordt er geen raad geschaft, dan zullen de apotheken zeer spoedig speculaties worden inde handen van leeken en met wondartsen in plaats van met pharmaceuten gevuld worden, want personen, die zich aan de pharmacie wijden, zijn bijna niet meer te vinden. Apothekersleerlingen vindt men nog slechts inde apotheken der residentie- en gouvernementsteden (en zelfs daar niet in alle), de apotheken der omgeving zijn meestal zonder pharmaceutisch hulppersoneel of hebben in het gunstigste geval hulpapothekers (Gehülfen) maar geen leerlingen. En ook de hulp-apothekers zien allen om naar een anderen werkkring, moedeloos geworden door de overtuiging, dat de materieele toestand der apothekers bij hunne groote verantwoordelijkheid allertreurigst is. Een jaarlijksche omzet van 2 of 2£ duizend roehels (in 9Ao van alle apotheken) biedt slechts even de mogelijkheid aan om te leven, geenszins om een bediende te houden. De noodzakelijkheid om de regeling der pharmacie te herzien, is dan ook voldoende gebleken en het voornemen bestaat deze zaak thans ernstig ter harte te nemen, want onder de tegenwoordige regeling loopt het met de pharmacie in Eusland op een einde. Het Gerechtshof te Dautzig behandelde dezer dagen, de zaak van den apotheker S. en zijn leerling L. aldaar, beiden beschuldigd van manslag door onvoorzichtigheid. Een arts te Dantzig had voor een kind voorgeschreven calomelpöeders (a 30 milligram pro dosi) en dit recept was inde apotheek van S. gereed gemaakt. Na het gebruik der poeders verviel het kind in opvallende matheid en stierf denzelfden avond onder verschijnsels, die op eene morphine-vergiftiging wezen. De leerling L. had de poeders gereedgemaakt en de patroon toezicht daarop gehouden. De aanklacht hield in, dat de standflesschen van calomel en morphine verwisseld waren en dat de tot bet toezicht zijner ondergeschikten verplichte persoon zich aan verzuim schuldig gemaakt en daardoor den dood van het kind door onvoorzichtigheid veroorzaakt had. Beide aangeklaagden verklaarden zich niet schuldig en beweerden calomel inde poeders gedaan te hebben. De poeders, die de doodelijke werking hadden voortgebracht, konden niet meer gevonden worden, dewijl S., toen de arts ze terugverlangde, ze reeds vernietigd had. De sectie leverde geen punten voor eene vergiftiging en het chemisch onderzoek van enkele inwendige deelen werd gelast. De scheikundige Helm ontdekte in deze deelen geen morphine, maar ook geen calomel, dien hij beweerde te hebben moeten vinden, indien hij toegediend geweest was. Prof. Sonnenschein te Berlijn onderzocht nog kort voor zijn overlijden 45 gram lijkendeelen ën vond daarin 0,001 gram morphine, doch geen calomel. Het O. M. hield de aanklacht vol en stelde als eisch tegen S. 6 maanden en tegen L. 3 maanden gevangenisstraf. De rechtbank hield zich aan de uitspraak van Sonnenschein, waaruit de gevolg-

trekking gemaakt werd, dat calomel voorgeschreven was, maar het kind dit geneesmiddel niet verkregen had. Helm bestreed wel de uitkomst van Sonnenschein, maar kon de wetenschappelijke grondslagen, waarop deze berustte, niet wederleggen. Het vonnis luidde wegens manslag door onvoorzichtigheid voor den apotheker S. twee maanden, voor den leerling L. 1 maand gevangenisstraf. Door dr. Myliws te Ereiburg in Saksen wordt eene lans gebroken voor de uitgave der toekomstige Pharm. Germ. inde landstaal en niet, zooals heden, inde Latijnsche taal. Men zal zich herinneren, dat dit punt indertijd bij de invoering onzer Ed. II ernstig ter sprake kwam, en dat de landstaal ook bij ons warme voorstanders vond, zoodat het voornemen der Eegeering» om de Pharm. enkel inde Latijnsche taal uitte geven, verviel, beide talen aangenomen zijn, en zelfs inde wet tot invoering de Nederlandsche taal het eerst genoemd wordt. Wij waren en zijn voorstanders, van de Latijnsche taal en achten deze geenszins, zooals dr. Mylius, een belachelijken //alter Zopf”, dien men moet afsnijden, maar een gebruik, overeenkomstig eene gewenschte klassieke vorming van geneeskundigen en pharmaceuten en noodzakelijk voor het internationaal begrip. Ook de bewerkers der internationale Pharmac. kozen de Latijnsche taal. Evenwel het #audi et alteram partem” steeds huldigend, willen wijde wapenen leeren kennen, waarmede Mylius deze overtuiging bestrijdt. Men zegt: de artsen schrijven hunne recepten in bet Latijn en werkelijk gebruiken zij in Duitschland (zoowel als ten onzent) met uitzondering van signatuur en gebruiksaanwijzing slechts Latijnsche woorden. Indien wij echter Ep., M., f., 1., a., solve, infunde enz. aftrekken, bevat het recept niets anders dan de Latijnsche namen der artsenijmiddelen, namen, die met geringe wijzigingen ook door andere natiën voor dezelfde zelfstandigheden gebruikt worden. Vaneen eigenlijken Latijnschen tekst vindt men op de recepten niets, zegt dr. M., en hoewel dit inde meeste gevallen waar is, bestaan er echter ook uitzonderingen, waarin de arts in verschillende bewoordingen zijn verlangen uitdrukt over de wijze, waarop het recept gereed moet gemaakt worden. Is het met het gebruik der Latijnsche taal voor de recepten aldus gesteld, zegt dr. M., dan levert dit geen oorzaak op, waarom de Pharm. in het Latijn geschreven moet zijn, en deze grond vervalt in allen gevalle voor de beschrijving van drogerijen en praeparaten, die het grootste deel van den inhoud der Pharmacopoea uitmaken. Maar is dan het wereldburgerschap niet aan eene Latijnsche uitgave der Pharm. verbonden? Dr. M. meent, dat er door het overnemen van berichten uit Duitsche bladen bewijs genoeg geleverd wordt, dat de Duitsche taal door andere natiën verstaan wordt, al verder, dat men niet al te vast vertrouwen kan op het onderhouden van het Latijn door geneeskundigen en apothekers in andere landen, zoodat zij eene Latijnsche Pharmacopoea kunnen blijven verstaan, indien men in aanmerking neemt den grooten aftrek, dien in Duitschland zelf vertalingen vinden van de Latijnsche Pharm. inde landstaal. "Voor het gebruik der Latijnsche taal heeft men zich ook beroepen op de kortere uitdrukking. M. vergelijkt den Latijnschen tekst der Pharm. Germ. met de vertaling door Hager daarvan geleverd, en bewijst uit verschillende voorbeelden dat de kortheid aan de zijde der landstaal is. Ook meent hij, dat men zich inde landstaal met meer zekerheid kan uitdrukken, zonder gevaar te loopen van te worden misverstaan. Eindelijk wijst M. op de vreemde, niet altijd tot ernst stemmende uitdrukkingen, die het gevolg zijn van het gebruik der Latijnsche taal inde Pharm. voor moderne termen, bijv. //tela bombycina Taffet dicta”, //oleum graveolens Eoeselolie dictum”. Dooreen beambte voor het onderzoek van levensmiddelen, dr. W ach er in Wurtemberg, wordt met

voldoening vermeld, dat sinds het optreden der overheid het aantal vervalschingen gaandeweg afneemt en de verkoopers zich toeleggen betere waren te leveren. Geheel overeenkomstig onze meening, constateert dr. W., dat de schuld der vervalsching van levensmiddelen grootendeels indirect aan den kant der koopers ligt, die voor de goederen een prijs willen besteden zoo laag, dat zij zelven overtuigd zijn daarvoor geen goede waar te kunnen bekomen. Indien de verbruikers konden besluiten slechts onvervalschte waar te koopen en een daarmede overeenkomstigen hoogeren prijs te besteden, dan zou de kwaal spoedig genezen zijn. De Pharm. Zeitung bevat eene mededeeling uit Hanover, omtrent een kwakzalver, die aldaar eenigen tijd op zijne wijze werkzaam was en zelfs een vast spreekuur had. Bij onderzoek van de geneesmiddelen, door hem aan een boer uitgereikt, bleek, dat zij hoofdzakelijk bestonden uit brandewijn en varkensvet. De rechtbank veroordeelde hem tot 90 mark [f 54) boete en inde kosten van het onderzoek (ƒ 30). Eene tweede mededeeling betreft den verkoop van geheimmiddelen te Hamburg, die volgens de eigen klacht der verkoopers zeer is afgenomen, sinds de apothekers openlijk met hun naam de samenstelling enz. aan het publiek openbaar maakten. De //Schweizer pillen” wilden maar niet op Hamburg’s bodem gedijen, deze was haar //te heet”. Ook de Paté Zed is uitgestorven, het Eer Bravais toont hel taaiste leven. Eene derde mededeeling betreft eene bedreiging van Sprengel aan dr. Wittstein, om hem wegens zijn onderzoek van het kruidensap (zie ÜSTo. 17 en 51 van den vorigen jaargang) gerechtelijk te vervolgen. Eene vierde mededeeling handelt over eene aanklacht, door de beruchte firma Richter bij den rechter ingediend over namaak van hun Pain-Expeller en van hun fabrieksmerk dooreen apotheker Ealkenberg, die het tot onze groote verwondering niet beneden zijn stand geacht had de middelen na te maken van eene firma, welke het enkel op kwakzalverij toelegt en de pharmacie op eene ergerlijke wijze door het slijk sleurt. Het O. M, zelf liet echter de aanklacht varen en de rechtbank vereenigde zich daarmede geheel, zonder zelfs te beraden, maar het geheele proces heeft weder geleerd, hoever het drijven der firma gaat, en het oude spreekwoord bevestigd: //die met pek omgaat wordt er mede besmet.” In Oostenrijk is een werk verschenen, getiteld: Die pharmacewtische Nebenindustrie. Anleilung zum Betriebe verschiedene Industriezweige von Gustav Helt, Apotheker. Met 21 erlauiernden Abbildungen, waarop de Pharm. Zeitung de aandacht der apothekers vestigt. Mindere uitgebreidheid der cliëntele, vooral op eene kleinere plaats, verplicht den apotheker soms, ten einde in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien, eene bijzaak ter hand te nemen, en hij is werkelijk door den aard van zijn werkkring in vele gevallen een geschikt persoon daartoe, die slechts eenige aanwijzing behoeft, om eene zaak in vrijen tijd met vrucht ten uitvoer te brengen. Als bijzaken worden in genoemd werk vermeld: I°. de fabrikatie van mousseerende dranken; 2°. de fabrikatie van likeuren langs den kouden weg; 3°. de fabrikatie van parfumeriën; 4°. de fabrikatie van kamervuurwerk; s°. de fabrikatie van inkt; 6°. de fabrikatie van azijn; 7°. de fabrikatie van zegellak; B°. de fabrikatie van droge gist; 9°. de fabrikatie van mosterd; 10°. de fabrikatie van smeeren poetsmiddelen. Het bedoelde werk levert voor al deze fabrikaties duidelijke en juiste, vaak geïllustreerde voorschriften en aanwijzigingen. Inde Pharm. Zeitung vindt men eene ontploffing medegedeeld, ontstaan bij het kloppen tegen de stop eéner slechts voor een deel met chloorkalk gevulde flesch van 500 c.M3. inhoud, die in langen tijd niet open geweest was. Onder een hevigen knal en met groot geweld sloeg de flesch in stukken, waarbij de glas-