Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Altraat van de proef, waarbij Vs uur verwarmd was en die daarna 24 uur gestaan had, vertoonde eene licht granaatroode kleur. Na verloop vaneen maand was het, behoudens weinige vlokjes, die zich op den bodem hadden afgescheiden, helder gebleven. De smaak was goed. Ijzergehalte = 0,097 pet. Mijne aanteekeningen eindigen met de opmerking, dat de proeven met beide ijzerzouten nog niet als geëindigd te beschouwen zijn. Zij wettigen intusschen m.i. het besluit: I°. dat met benzoas ferricus een levertraan kan worden verkregen, die circa 0,4 pet. ijzer opgelost bevat, doch weldra langzamerhand zoodanig wordt ontleed, dat slechts + 0,117 pet. ijzer in oplossing blijft; 2°, dat benzoas ferrosus niet of slechts in zeer geringe mate in levertraan oplost en voor zooverre dit praeparaat bij verwarming schijnbaar oplost in traan, de vorming van het ferrid-zout hieraan zal zijn voorafgegaan. Na het schrijven dezer regelen blijkt mij, dat Rag er in N°. 11 zijner //Pharmaceutische Centralhalle 1879 S. 114” nog eens afdrukt, hetgeen betreffende dit onderwerp in N°. 29 van den Jaargang 1874 voorkomt (zie boven). Het is niet recht duidelijk of het ter bereiding van benzoas ferricus door Rag er gegeven voorschrift aan eigene ervaring of aan Godin ontleend is*). Zeker is het, dat dit voorschrift nog al verschilt met dat, hetwelk prof. Stoeder als methode van Godin heeft gevolgd. In Rag er’s voorschrift zijn blijkbaar moleculaire gewichtsverhoudingen in acht genomen en zou, ook volgens opbrengst en ijzergehalte, een benzoaat zijn verkregen, dat slechts weinig van normaal ferrid-zout Fe' (C7 H5 02)6 verschilt **). Immers volgens de formulen: C7 H“ O2 +NHs – (N H4) C7 H5 O2 en 6(NH4C7 H5 O2) + Fe2 Cl6 = Fe2 (C7 H5 02> +6N H4 Cl. eischen 122 deelen benzoëzuur 17 dl. NH3, derhalve 122 : 10 17 : x.x. = 1,4 gram bijna = 14 gram (bijna) ammonia liq. van 10 pet. De opgegeven hoeveelheid van 15 C.C. is dus werkelijk voldoende om, na de neutralisatie van het zuur, nog eene geringe overmaat NH3, te hebben. 122 X 6 732 benzoëzuur eischen 112 Fe = 746 sol. Fe-Ch (die 15 pet. ijzer bevat), derhalve 732 ; 10 = 746 : x x = 10,2, (bijna), terwijl 11 gram sol. chloret. ferrici wordt opgegeven. 122 X ® = 732 benzoëzuur leveren 838 normaal ferridbenzoaat 114 pet., dat 13,36 pet. ijzer bevat, terwijl van de 10 gram verkregen werd circa 12 gram van 13 pet. ijzer. (Volgens het Bulletin enz. zie boven). Inde verhoudingen door prof. Stoeder gebezigd is dus ruim 25 C.C. ammonia liq. in overmaat. Berekent men de hoeveelheid te bezigen sol. chloreti ferrici naar de hoeveelheid gebruikte ammonia, dan ware 128 aram voldoende geweest ter volledige praecipitatie, terwijl 198 gram, derhalve 70 gram in overmaat is voorgeschreven. Volgens deze gewichtshoeveelheden zal dus, in verband met de opbrengst van 106 gram en de oplosbaarheid in traan, het aanvankelijk mede gepraecipiteerd ijzerhydroxyde door het overvloedig ijzerchloride als een oplosbaar oxychloride geheel moeten verwijderd zijn, daar in het tegenovergesteld geval de verkregen hoeveelheid veel aanzienlijker had moeten zijn. Ineen ijzergehalte van 16,8 pet. meent mijn geachte collega voldoenden grond te hebben om als meest rationeele formule voor het ferrid-benzoaat aan te nemen (Fe2 (OH)3 (C» H4 O2)* + 2H2 O. *) Zie de volgende noot. **) Onder liet afdrukken blijkt mij uit het reeds genoemde „Bulletin”, dat Godin het gebruik van neutraal ferrid-benzoaat werkelijk bedoeld heeft en dus Har/er’s voorschrift aan dien Fransohen apotheker ontleend is.

Doch mag, na de voorafgaande beschouwing omtrent de gebezigde gewichtsverhoudingen in casu, alleen uit het ijzergehalte, wel eenig besluit worden getrokken uit de samenstelling van het verkregen zout? Prof. Stoeder zal wel de eerste zijn, om met mij te erkennen, dat de voorgestelde formule alleen zoude gewettigd zijn, bijaldien de bepaling niet alleen van ijzer-, maar ook van water- en benzoëzuur-gehalte daartoe geleid hadden. Leiden, Juni 1879. De collega’s, die de bijeenkomst op 13 Juli bezochten, kunnen zich herinneren, dat dooreen Amsterdamsch collega als bewijs, dat niet altijd de prijs op eene copie geplaatst, kan gehandhaafd worden, het feit werd aanvoerd, dat de twee volgende afschriften van recepten hem ter gereedmaking aangeboden waren, op elk van welke stond: asses quinque, N°. 1. : oxydi hydrargyrici ilavi via humida parati 0,100, vaselini 5,0. M. f. Ungt. D. S. Oogzalf. N°. 2. f: sulphatis zincini 0,300, aquae destillatae 100,0, aquae foeniculi 25,0. M. D. S, Oogwater. Hij noemde daarbij Arnhem als de plaats, waarvan de afschriften afkomstig waren. De aanwezige collega’s uit Arnhem deden er toen het zwijgen toe, maar onderzochten de zaak later en deelden mij den uitslag van het onderzoek mede. Terwijl ik mij in geen geval geval geroepen gevoel namen te noemen, acht ik mij toch verplicht te voldoen aan het verlangen der op de bijeenkomst tegenwoordige collega’s uit Arnhem, om te melden, dat de afschriften met de lage prijsberekening van geen hunner afkomstig zijn. Naar mijne berekening zou de prijs (3de categ.) zoowel voor N°. 1 als voor N°. 2, 45 ets. bedragen. Geneeshmdig Wetboek voor Nederland, inhoudende Wetten, Besluiten, Reglementen en Voorschriften, inzonderheid van belang voor Geneeskundigen, Apothekers, Tandmeesters, Vroedvrouwen en Veeartsen, benevens hetgeen betrekking heeft op de zorg van den Staat voor het leven en de gezondheid der burgerij door dr. G. W. Bruinsma te Steenbergen. Tiel, 11. C. A. Campagne. In plaats van het bovenstaande werk met de gebruikelijke termen aan te kondigen, willen wij liever ten blijk van de belangstelling, waarmede wij het zijn doorgegaan, op de volgende punten opmerkzaam maken, I°. Bij de Wet tot regeling van het Hooger Onderwijs was het Koninklijk Besluit behelzende het leerplan voor zooverre het de studie der natuurkundige vakken inde laatste twee leerjaren betreft, niet overbodig geweest. 2°. Op blz. 89 vindt men als Noot van den Schrijver bij Antidotum Arsenici: //Solutio chloreti ferrici 30 deelen, verdund met 130 deelen water, en 7 deelen oxidum magnesicum, aangemengd met 130 deelen water”. Wij achten het beter de Solutio chloreti ferrici niet verdund in voorraad te houden, dewijl de verdunde vloeistof eene dissociatie ondergaat, die op den aard van het mengsel als Antidotum invloed kan uitoefenen. Ons komt het gewenschter voor bijeen geplaatst in voorraad te houden: I°. eene flesoh met 30 deelen Solutio chloreti ferrici; 2°. eene flesch met 130 deelen water; 3°. eene flesch, waarin zich de 7 deelen oxydum magnesicum met 130 deelen water aangemengd bevinden. Inde lijst van blz. 89 en 90 zijn eenige schrijf- of drukfouten de aandacht van den corrector ontsnapt: //hyosciami”, tras emeticus”. //Oxidum” en //Jodetum” in plaats van dein de Pharm. aangenomen schrijfwijze ; //Oxydum” en //lodetum”. 3°. De lijst der kleinste hoeveelheden, in voorraad te houden, (van Zeeland en Noordbrabant) kan, als niet in overeenstemming met de Ed. 11, niet meer gelden. 4°. Bij de prijslijsten voor de armenpraktijk, vastge-

steld door de Geneeskundige Eaden voor Zeeland en Noordbrabant en Limburg had kunnen bijgevoegd zijn het besluit van Gedeputeerde Staten van Gelderland, om op advies van den Geneeskundigen Eaad voor Gelderland en Utrecht de Iste categorie onzer Prijsbepaling als regel voor armenpraktijk aan te bevelen, zoo ook de laatste bemoeiingen van den Geneeskundigen Eaad voor Overijsel en Drenthe in deze zaak. s°. Blz. 313 zijn bij de Begrafeniswet twee artikelen (45 en 46) uit de overgangsbepaling achterwege gebleven, daarom van beteekenis, omdat de daarin vervatte voorwaarden (bewijs van schadelijkheid voor de gezondheid van eene bestaande begraafplaats) op vele plaatsen betering inden weg staan. Volgens de ondervinding van Govaerls kunnen de Folia Jllglandis, wanneer zij de volkomen ontwikkeling bereikt hebben, gedurende den geheelen zomer zelfs tot aan den herfst ingezameld worden. Het extract moet, om alle werkzame bestanddeelen te bevatten, slechts uit bladen bereid worden, die kort te voren gedroogd en in het goede jaargetijde verzameld zijn. Het extract uit versche bladen bereid, is rijk aan looizuur, maar houdt zich slecht bij het bewaren. Extract door koking bereid is te verwerpen. De bladen verliezen, wanneer zij vrij inde lucht bewaard worden, na eenige maanden het aromatisch beginsel en een groot deel van hun looizuur. Gedurende langen tijd en in goeden staat kunnen zij in droge lucht bewaard worden. Dein den herfst afvallende bladen zijn voor pharmaceutisch gebruik ongeschikt. Door G. onderzocht extract uit den handel bleek hem hetzij uit deze afgevallen bladen, hetzij uit oude bladen bereid te zijn. Hij waarschuwt derhalve tegen zijne onbruikbaarheid. Extractum Juglandis moet volgens onze Pharm. uit versch gedroogde bladen en door trekking met kokend water bereid worden. Het looizuurgehalte wordt bij deze bereidingswijze zeker goed opgenomen, het vluchtig beginsel zal echter veel verloren gaan. Als voorschrift voor een Vimmi camplioratlim, hetzij ex tempore te bereiden, hetzij in voorraad te houden, wordt door Schoch tot vervanging der Emulsie camphorae opgegeven : Jf: camphorae partem unam, Solve in spiritus absoluti parte una; conquassando admisce vini xerensis (vel generosi albi) partes 48, Bij het leerling-apothekers-examen te. Groningen zijn nog toegelaten: De heer L. de Jong, geb. te Helder. tr u D. Viersen, » // Dokkum. // v G. M. Van Engen Koek, n // Koevorden. Persoonlijke aangelegenheden. 1 Augustus a.s. hoopt de heer W. P. van de Kamer den dag te herdenken, waarop bij vóór 40 jaar zijne apotheek aan de Groote Markt te Middelburg opende. De militaire apotheker Iste klasse Vogelsang is verplaatst van het garnizoen te Nijmegen naar dat te Delft. Openlijke correspondentie. P. te S. Onzes inziens, zal de vrijstelling bij het toekomstig theoretisch apothekers-examen voor hen, die het tegenwoordig natuurkundig examen voor hulp-apotheker met goed gevolg afgelegd hebben, daarin bestaan, dat zij geene bewijzen meer zullen hebben te leveren van kennis van de beginselen der natuurlijke geschiedenis van dieren en delfstoffen, zooals art. 15 der nieuwe regeling verlangt van hen, die aan het eerste natuurkundig examen volgens art. 4 voldaan hebben. In dat art. 4 toch worden geen dier- en delfstof kunde genoemd, terwijl tot het natuurkundig examen, hetwelk tot heden afgenomen werd, behoorde: geschiedenis van dieren en delfstoffen’’’. De artikelen van Kosmos, van Luctor et Emergo en van den heer G. B. Schmidt ineen volgend nommer.

Sluiten