is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1891, no 1060, 22-04-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N0 1060. WOSÏÏSDAG- 22 APUIL. 1891

I Redacteur: J. VAN T I.INOKXHUCT. ' eltQd! BrmM1 ***"' gfflitdan altjja mot O. maar MS hebt stt oit*

degenen, die Hem doorstoken hebben; en alla geslachten der j Uitgever: P. J. MTLBORN, Joh. 12 va. a

aarde zullen over Hom rouw bedröven; ja amen. _ } te Nt.1MF.OEN.

öp@nb. 1 m 1 ' 1 ■

Worden, werken, welzijn. Jj

door O. FUNCKE. is,

w<

ui

('Vervolg en slot van 1059). a£

Waar nu dit nieuwe worden heeft plaats al

gehad, daar vangt ook een nieuw werken er

aan. Ik wil nu niet verder spreken over dt

den, hetgeen vanzelf spreekt, voortdurenden g< edelen strijd tegen den lintworm der zonde;

ik wil niet spreken over den persoonlijken v<

onafgebroken arbeid der heiligmaking. Neen, z<

ik wil nu een woord zeggen over het wer- d<

ken in het koninkrijk dezer wereld en in z<

het koninkrijk Gods, waartoe allen geroe- ■ nen zijn, die in de school van Jezus zich

bevinden. 11

De discipelen van Christus moeten naar n den wil van hun Meester zijn het licht d en het zout der wereld. Zeiven door v Gods genade zoo gelukkig gemaakt, als b zij zijn, is het hun diepst verlangen, ande- o ren gelukkig te maken. Dat is zoo of het v is met hen niet in den haak. Er kan dus t geen sprake van zijn, dat zij apathische of z trage of onverschillige menschen zijn. »Ik g moet werken zoo lang het dag is, luidde het wachtwoord des Meesters, niet anders ^ luidt dat des discipels. Luie christenen ken ik niet. Zij mogen ook duizendmaal een i orthodoxen catechismus opzeggen, maar ' christenen zijn het niet. Niemand heeft 1 eenig recht, zijn tijd te verbeuzelen ; de | voorname dame — trots tante Lina evenmin als de dochter van den schoen- 1 lapper.

Een kenmerk van echte christenen is, dat zij den arbeid liefhebben en trouw zijn op den post, waar God ze geplaatst heeft, hij zij hoog of laag, gemakkelijk of ongemakkelijk. Ja, dat is christelijk, naar waarheid te kunnen zeggen: waar ik sta, sta ik naar Gods wil en daar zal ik doen wat ik kan, dat de wereld in gang blijft of liever, dat het beter wordt in de wereld. De koningen der aarde schrijven in hunne titels: »Bij de gratie Gods" (of wat hetzelfde is, door de genade Gods) »koning

van " Dat'is heerlijk en God beware

ons voor den tijd, dat wij zouden schrijven: »door de genade des volks.' Maar onlangs kreeg ik een brief uit het binnenland van Rusland, die aldus begon: »Ik ben door Gods genade een arme schoolmeester te.. en nu noemde hij een nest van een dorp aan de Wolga/ Ik had den armen schoolmeester wel kunnen omhelzen, wanneer hij bij mij geweest ware. Met welk een geestdrift sprak hij van zijn ontzettend slecht betaalden arbeid! Ja, de wereld zou geholpen zijn, wanneer de staatsraad en de schoenlapper, de minister en de naaister zeiden: Door Gods genade ben ik wat ik ben, en waar ik ben, doe ik wat ik kan en daar ben ik blij en gelukkig, want deze post moet de beste voor mij zijn. Wat mij in onzen tijd zooveel schrik aanjaagt, wat ook feitelijk al het bestaande ondermijnt, is dit, dat de meeste menschen geen blijdschap in hun arbeid vinden, dat de meeste menschen slechts werken, om te kunnen genieten. Hier ligt de zenuw der sociale quaestie, — om toch ook eens

iets sociaals te zeggen.

Is het waar, dat het evangelie eerst den arbeid geadeld heeft en wel eiken arbeid, zoo ligt in het gezegde verder, cat ieder zijne krachten en talenten tot welzijn der menschheid opwekken en onderhouden moet. Maar het is vreeselijk, hoe zelden

der menschen eraan denken, dat de heilige en plicht op hen rust, elke gave, die in hen aa is, op te wekken en te ontwikkelen. Hoe op weinig denken ook zij, die er ij verig op en uit zijn iets te worden, eraan, dat dit worden de menschheid ten goede moet komen. De hc allermeesten denken enkel aan zichzelven Iv en hun voordeel en hun vooruitkomen in w de wereld. Tallooze krachten en talenten te gaan daarbij onherstelbaar verloren. _ vj Een perzische fabel met een diepen zin h< verhaalt, dat een jonge man, langs het In zeestrand wandelend, een kistje met won- hi derschoone kleine steenen vond. Hij nam h; ze in zijn hand, speelde er mee, wierp er v mee naar de meeuwen, die langs de blauwe a watervlakte scheerden, en had spoedig nog maar een enkelen steen over, dien hij mee n naar huis nam en toevallig een juwelier toon- d de. Deze was geheel verrukt en ontsteld en o verklaarde, dat dit een edelsteen was van s hooge waarde. Nu barstte de gelukkige, l of ook wel ongelukkige vinder in een stroom n van tranen uit. Maar wat baatten hem v thans die tranen? Hij had lichtzinnig al € zijne edele steenen in do diepte der zee z

geworpen. . ^

En nu, waarde lezer, schrijf mplaats 1 van de edelsteenen de door God gegeven 1 talenten en krachten en gij weet, waarom ) ik u die uitlandsche fabel verteld heb. O, 1 wacht u, dat gij in lichtzinnigheid en dartelheid zoudt verspelen wat God u ge- i i geven heeft, om het voor uzelven en uwe i medemenschen tot nut te doen dienen. Ontroostbaar zult gij later zijn, wanneer gij i do roest op het ijzer hebt doen komen.

Gewerkt moet er dus worden! Maar : r niet enkel in het dagelijksch leven , maar t ook in het Koninkrijk Gods, zoo gij tenf minste een lid van dat Koninkrijk zijt. Het | r Christendom is immer en altijd door menschen verbreid en tot menschen gebracht 1 geworden, en dat zal zoo blijven tot aan t het einde der dingen. Het is Gods heilige wil, dat de menschen, die elkander zoo e ontzettend veel jammer en ellende gebracht - hebben, na door God verlicht en gered te

zijn, nu ook hunne medemenschen brengen

e tot de borrelende bron der genezing. Gij

: moet het als een hooge eer beschouwen,

s dat gij daartoe ook geroepen zijt en wel

q zoodra gij uzelf gered kent. Op den dag

ir dat Petrus beefde over zichzelf en de heer-

" lijkheid Gods in Jezus Christus erkende,

p op dienzelfden dag roept de Heiland hem

l- tot een visscher van menschen. En het is

>r met een iegelijk onder ons, die den Heere

n Jezus liefgekregen heeft, niet anders. Het

d is niets dan schijnvroomheid en bewuste

iu of onbewuste huichelarij, wanneer iemand

:n zegt: »Ik ben nog zoo ver ten achter, ik

ar ben zelf nog zulk een zondig mensch en

ik zucht nog onder zoovele zwakheden — hoe

m zou ik het wagen, om mij om het zielen-

at heil van anderen te bekommeren ? Dat

n. is, ik zeg het nog eens, huichelachtige taal; |

ti- want wie iets van God kent, zal terstond

le behoefte gevoelen anderen er over te spreken.

3n Wie erop wachten wil, totdat hij zonder

at zonden en zwakheden is, die moet wachten

m totdat hij daar is, waar men zijn arbeid

lw niet meer noodig heeft. Als het naar dezen

ns regel ging, dan zouden een Petrus en Paulus zoo weinig begonnen zijn aan anderer

rst zielen te arbeiden, als een Luther of Zin-

en zendorf.

lat Weg dus met die schijnvrome praatjes!

ijn Opdat°gij op geestelijke wijze aan anderen

en kunt arbeiden, is het genoeg, dat gijzelt en in den innerlijken arbeid staat, üe lietde

en macht der genade van Christus Jezus »c aan uwe ziel hebt ervaren en er nu ernstig dc op uit zijt, om Hem in Zijn school al meer V en meer gelijkvormig te worden. _ 01

Ieder, met wien het alzoo gesteld is, w heeft de goddelijke roeping, ook in het zi Koninkrijk Gods werkzaam te zijn, al sc ware het ook maar, dat hij met volkomen ai toewijding erop uit was, één ziel of één m van God vervreemd gezin voor de eeuwig- st heid te winnen door woord, wandel en vi liefde. Waar deze drijfveer ontbreekt, is g het innerlijk leven niet gezond. Ieder christen- g hart, welks pols recht klopt, haat de Kaïns- si vraag: »Ben ik mijns broeders hoeder?" a. als het inbegrip van schandelijke zelfzucht, li Wat den onderscheidenen personen, man- e nen en vrouwen, gehuwden en ongehuwden, beschaafden en onbeschaafden te dezen t opzichte aanbevolen is, dat is naar de toe- a standen en levensomstandigheden, naar aanleg en talent zoo oneindig verscheiden, dat c men over dit onderwerp wel eén bijzondere g voordracht zon kunnen houden. Ik begin s er dan ook niet aan en zal er ook van af- i zien, de afzonderlijke gebieden der in- en i uitwendige zending in het licht te stellen. Ik ben zeker, dat hier niemand is, dien < het aan trouwe raadgevers ontbreekt, wan- 1 neer hy de zaak eerst ernstig en met zelf- < verloochening wil aanvatten.

Dit echter zeg ik : De erkenning van den j algemeeien dienstplicht van alle christenen < is het eenige wat in deze tijden de kerk < kan redden. De ellende van onze kerk bestaat niet daarin, dat de staat haar zoo , weinig eert; zij zou er niet mee geholpen

• zijn, wanneer zij «hoogkerkelijk georga' niseerd ware, wanneer de schildwachten

• voor den generaal-superintendent en de t superintendenten het geweer presenteerden, - wanneer de waardigheidbekleeders onzer t kerk aan het Hof evenzoo vertroeteld weri den, als helaas indertijd de roomsche prelaten. 3 Hij is een dwaas, die zich op menschen j verlaat. Daarom begrijp ik ook den angst t niet, dien men heeft voor den terugkeer a der Jezuiëten. Ik houd niets van hen, maar i als evangelisch christen vrees ik hen niet. j Toen Dr. Luther den Wartburg verlaten , en in den ouden strijd zich wagen wilde , 1 smeekte zijn keurvorst hem ernstig, zulks » niet te doen. En wat schreef de geloofs-

held hem? Hoort! »Mijn Heere Christus is niet van stroo. En wanneer het op ben schermen aankomt, dan zou ik liever Uwe s Keurvorstelijke genade willen beschermen, e dan dat Uwe Keurvorstelijke Genade mij ;t zou beschermen." Dat was geloof! liet ;e werd niet te schande. En _ waarlijk, de d evangelische kerk — die zich nooit met k den staat had moeten verbinden — zal n den staat eerder beschermen dan dat zg ,e den staat nocdig heeft. Wij willen slechts i- vrijheid, wij willen geen hulp! Wij hebben it geen hulp noodig, wanneer onze kerk maar 1 • levendig is in zichzelve. Levendige christeLd nen, karaktervolle christenen, die hebben

er '\laar ïat is onze ellende, dat de meesten, jn die zich evangelisch noemen, niets zijn dan id protestanten in den slechten zin van het woord — menschen, die protesteeren met 3n enkel tegen Rome, maar ook tegen het er Evangelie; die in godsdienstig opzicht zoo n- onverschillig zijn als de doode steenen op het kerkhof. En zij beelden zich daarop l3t nog heel wat in, ja, zij beschouwen het en als een teeken van beschaving, dat zij zijn elf zooals zij zijn. »Het spreekt vanzelf, de i zeggen zij en zetten daarbij een hooge borst,

mof hpf: verouderde geloof van

)) UClll T7 XJ «-» , ,

dogma's niets te doen willen hebben.

TTT 11 1 .. .1 ,3 « 1- TTrtTl

Vragen wij dan: »weiK is aan u<m ïc-

_ ® , n t 1 . rt

ouderd geloot van aogma s. zuu ^"uuu. wij, dat zij van de christelijke dingen, die zij belachen, absoluut niets weten. En zij schamen zich daarover niet eens. Op alle andere gebieden is thans weten , zooveel mogelijk weten het wachtwoord. En overal stelt hij zich aan de kaak , die een zaak veroordeelt, welke hij niet kent. Alleen op godsdienstig gebied geldt andere maa.t en gewicht, waarbij ik weliswaar met diepe smart moet toegeven, dat men, tot dicht aan onzen tijd toe, de eenig zaligmakende levensgestalte van Jezus Christus en de ethische zijde van het christelijk leven voor dogma's, die voor een gedeelte zeer bej twistbaar zijn, maar al te dikwijls op den achtergrond heeft doen treden.

Ons ongeluk is het legioen van hen, die volstrekt niets zijn en zich met eemge gemakkelijke phrases van alle godsdienstige — al te dikwijls ook maar van alle zedelijke — verplichtingen losmaken. Een nog grooter ongeluk is het echter, dat de kerkelijk gezinde menschen voor een groot deel meenen hun plicht vervuld te hebben, wanneer zij geregeld de kerk bezoeken en daar voor 'zichzelf stichting ontvangen. Het begint beter te worden. Een nieuwe adem gaat door de doodsbeenderen. In duizenden ontwaakt het bewustzijn, dat ieder levend christen geroepen is, een visscher van menschen , een zielzorger te zijn en dat de predikanten in het gunstigste geval slechts de sprekers, de officieren, de wegwijzers kunnen zijn. Ja, in duizenden begint dit bewustzyn te leven. Maar het moet levend worden in tienduizenden, in honderdduizenden. Yervloekt zij de gierigheid, yer1 vloekt de traagheid, vervloekt de huichelachtigheid. Gloeit in u de liefde van Christus, zoo moet die u dringen , om in , de liefde werkzaam te zijn om de zielen ; te redden van hen , die nog ver zijn van

■ het Koninkrijk der hemelen en die toch

■ even goed als gij tot dat Koninkrijk geroepen zijn. Is deze geest eerst levendig

i in onze kerk, laat dan de Jezuiëten maar komen, met Dominicanen, 'Capucijnen, s Franciscanen en Karthuizers incluis, het

- Koninkrijk moet toch ons blijven.

3 Maar ik moet nog een opmerking maken.

- Ik, heb vooraf gezegd, dat het innerlijk a worden tot werken leidt. Alleen hij kent

levensvreugde, die leven heeft. Wie leven j heeft, die moet ook leven wekken. Dat is t een kenmerk van alle leven op hooger en e lager trap: de drijfveer tot voortplanting, t Maar ik zeg ook dit: Dit werken in het 1 Koninkrijk Gods, dat een gevolg is van ij het innerlijk worden, leidt ook weder tot :s een nieuw hooger worden. Het eerlijk gen bruik van een kracht, een talent leidt ,r telkens tot versterking dezer kracht, tot >- vorming en krachtiger ontwikkeling van n den aanleg. Dit is een algemeene wet.

Het wordt nergens zoo sterk bewaarheid, i als op geestelijk gebied. Doe iets goeds n voor anderen, zoo zult gij u in uw leven jt leeren verheugen; geef uwen naaste uw beste, uw hart, de eene kostbare parel, -t en gij zult dubbel winnen, wat gij gegeven io hebt.' Bekend is de geschiedenis van den ,p wandelaar, die in een sneeuwstorm over ip den St. Gotthardt ging. Hij voelde, dat et zijn bloed verstijfde, dat zijne krachten jn minder werden ; hij was op het punt zich " uit te strekken voor den eeuwigen slaap op i't de sneeuw. Maar daar stoot zijn voet tegen