is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1896, no 1337, 12-08-1896

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 1337.

WOENSDAG 12 AUGUSTUS.

1896.

IET OOSTEN.

Pfelllê |en|l ui f |i!atf«fk

Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook desenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der narde zullen over Hem rouw bedrflvon; ja amen.

Openb. 1 vs. 7.

Redacteur: J. VAN 'T LINDENHOUT. Uitgever: P. J. MILBOKN, te Nijmegen.

De armen hebt gijlieden altijd met n, maar Mij hebt gt! niet altijd.

Joh. 12 vb. 8.

Dit blad verschijnt eiken Woensdag. Abonnementsprijs per halfjaar ƒ 1.50. Afzonderlijke nummers 10 Cent. Prijs der Advertentiën: van 1 —10 regels ƒ1.—, elke regel meer lOCent. Advertentiën gelieve men franco te zenden aan den Uitgever te Nijmegen; Ingezonden Stukken aan de Redactie en Gelden aan den Administrateur A. J. Bloemendal te Neerbosch.

Te veel werk.

De Heer heeft gezegd tot Zijne jongeren en door hen tot ons: Werkt terwijl het dag is, de nacht komt, waarin niemand werken kan. Onze Heiland ia ons hierin voorgegaan. Nooit nam Hij rust als iemand Zijn hulp begeerde. Overal waar Hij op Zijne reizen kwam, waren ongelukkigen en hulpbehoevenden, die bij Hein redding zochten en niemand kwam tevergeefs als alleen de man, die wilde dat Hij hem hielp in het deelen van een erfenis. Hij waa overal de barmhartige Samaritaan en nooit hooren wy een klacht van Zijne lippen, dat er te veel kwamen om bij Hem hulp en redding te zoeken. Zelfa tot des avonda laat, wanneer de kranken tot Hem gebracht werden, strekte Hij Zijn handen zegenend en genezend over hen uit.

Ook in het nachtelijk uur ontzeide Hg zich gaarne de ruBt des slaaps, die Hij als mensch ook zeer noodig had, om met belangstellenden of onwetenden als Nicodemus te spreken en hun de Schriften te verklaren.

'tls dus een groote zegen, dat er zooveel werk is en dat geloovigen niet ledig behoeven te staan. De velden zijn wit om te oogsten en zij, die geen arbeid hebben en zeggen daarnaar te zoeken, verstaan niet wat het zeggen wil voor den Heer en niet voor zichzelven te arbeiden.

Er zijn vele menschen, die in het dagelij ksch leven alles altijd beter meenen te weten dan anderen; die door hoogmoedswaanzin aangegrepen het bejammeren, dat zij geen hoogere betrekking in het maatschappelijk leven bekleeden dan zij nu hebben, want ware dit het geval, dan zouden de zaken naar hunne meening veel beter gaan.

Hoezeer deze verblind zijn, blijkt hieruit, dat wanneer men hen nagaat in het werk dat zij nu geroepen zijn te doen, ze maar al te dikwerf brekebeenen blijken te zijn, menschen, die of er luchtig overheen loopen, of in het minst geen geschiktheid hebben voor hetgeen zij verplicht zijn te doen.

De Heer heeft gezegd: Wie in het kleine getrouw is, zal over het grootere gesteld worden. Dit geldt voor de dingen dezer aarde en voor die, welke de belangen onzer ziel betreffen.

Beginnen met het begin, is de groote les, die in den arbeid van 's Heeren wijngaard in beoefening gebracht moet worden en daaruit volgt dat alleen zij bekwaam zijn tot het koninkrijk Gods, die den moed hebben onder alle omstandigheden de hand aan den ploeg te slaan.

In den arbeid in Gods koninkrijk komen wij alleen dan verder, als wij bereid zijn om ieder werk, dat God ons op den weg doet ontmoeten, aan te grijpen. De Heer kent geen arbeiders in Zijn wijngaard, die tot de gemeente van de mannen of vrouwen behooren, waar meester Plicht dominee is. Die alleen zijn plicht doet, staat onder de wet en die onder de wet staat is een slaaf en dezulken kan de Heer in Zijn wijngaard niet gebruiken. Daar geldt het niet Ik moet het doen, maar mag ik het doen?

Wij worden zoo gelukkig wanneer onze ziel vervuld is met de liefde Gods, dat geen arbeid ons te gering is. En dan zal ook geen werk ons te moeilijk vallen. Ik denk, dat vele Christenen in onze dagen het beneden hunne waardigheid zouden geacht hebben, het bevel van den Heer te gehoorzamen, om de brokken broods, die

Hij gezegend had, onder de schare uit te deelen en daarna het overschot te verzamelen. En toch, welk een heerlijk en gezegend werk ia dat geweest. Het waa van grootere beteekenia dan de bouw van den toren van Babel.

Nu is er echter in onzen tijd onder de Christenen een algemeene klacht, dat er zooveel door hen moet gedaan worden.

Het ia alsof de Heer hun te veel werk geeft. We hebben lang gebeden, dat God zich in Zijne nederbuigende liefde mocht ontfermen over de milioenen heidenen en naamchristenen en over zoovele ongelukkigen en ellendigen, die onze hulp noodig hebben. En nu is de Heere God bezig om op heerlijke wijze ona gebed te verhooren. Doch Hij schenkt ons nog veel meer. Hij wil ons zelf gebruiken om voor dat doel werkzaam te zijn. Dit is meer dan we van den Heer hebben gebeden. Laat ona daarom toch niet klagen en murmureeren. dat we te veel werk hebben. Waar de Heer allea voor ons geweest is en alles voor ons gegeven heeft, daar kunnen wij toch niet te veel voor Hem doen. Gij kunt verzekerd zijn dat elk Christen, die zich onttrekt aan eenigen arbeid in Gods koninkrijk waartoe hij in de gelegenheid is, aan zijn eigen geestelijk leven groote schade toebrengt.

Wij hooren niet zelden geloovigen klagen, dat onder al den arbeid dien zij verrichten en waarvan de Christelijke wereld in onzen tijd vol ia, het eigen zielenheil maar al te dikwerf wordt verwaarloosd en dat, terwijl men voor en aan anderen arbeidt, men vergeet aan zichzelf te denken.

Geliefden, het zou zeker zeer treurig zijn, indien men arbeidde aan het zielenheil van anderen en zelf den Heer niet kende. Maar waar dit het geval is, daar geeft men spoedig het werk op en laat dit aan anderen over.

Bovendien kunnen we nooit te veel voor den Heer doen, want zullen we het recht doen, dan moeten we het biddende verrichten en dan zal de arbeid in Goda Koninkrijk ona het meest drijven tot het gebed. En daar onze ziel gered ia door het bloed van Jezus, kunnen we toch nieta aan het werk van Christus toevoegen. Wie dit nog meent te kunnen, weet nog niet wat het zeggen wil uit genade zalig te worden.

Daarom, dankt er God voor, wanneer er weder nieuw werk voor u is. Maar pas op, dat ge het oude, dat de Heere God u heeft opgedragen, daarom niet veronachtzaamt. Dit is een kwaal, die in onzen tijd veel wordt aangetroffen. Alle dagen wat nieuws: vandaag preeken, morgen middernachtzendeling, overmorgen schrijven voor boeken en bladen. Waarde vrienden, de Heer kan ons voor allea gebruiken, maar laat ons wel bedenken, dat Hij ona niet voor allea roept en dat we op deze wijze nooit iets degelijke, Gode ^welgevalligs zullen tot stand brengen.

Laat ons er ook vooral op letten, indien wij onder de leiding Gods de hand aan den ploeg hebben geslagen, dat wij, zullen we mogen verwachten, dat God onzen arbeid met Zijn zegen bekroont, den ploeg moeten vasthouden. Er zijn Christenen, die meenen, dat zij het werk, hun toevertrouwd, weder aan een ander moeten overgeven.

Ik was niet lang geleden in een inrichting, waar kinderen verpleegd werden; daarin was een directrice, onder haar een hoofdverzorgster en onder deze drie juffrouwen, die de kinderen moesten helpen. En deze gaven het werk weer over aan enkele

van de oudste meisjes uit de stichting. Het merkwaardigste was, dat al deze dames mij verklaard hadden, dat zij het ontzaglijk druk hadden.

Op deze wijze krijgt men wel vele arbeiders, maar worden er weinig geholpen.

Laat onB in den arbeid van Gods Koninkrijk nooit er naar trachten minder werk te hebben, want dan zijn we al verloren, de Heere God wil niet, dat we minder doen maar meer.

Yoor eenige dagen zeide mij een lieve zuster: de Heere God heeft uitnemend voor mij gezorgd, want ik krijg alle dagen meer te doen. Dit is een beter getuigenis als van een juffrouw, die mij mededeelde, dat zij, nu zij van betrekking veranderd was, het zeer uitnemend had getroffen, want zij waa heel vrij en kon zooveel uitgaan als ze wilde. Nu, heb ik tot deze juffrouw gezegd, dat is zeer te betreuren, want dan heeft men aan uwe hulp geen dringende behoefte.

Laten we ons nooit beklagen, als de Heer ons een grooter arbeidsveld opent. Er blijft nog zooveel over, dat ongedaan is. En in de eeuwigheid zullen wij den Heere Jezus het meest hiervoor danken dat Hij ons heeft kunnen en willen gebruiken om Zijn werk hier op aarde voort te zetten.

Daarbij komt nog dit, dat menschen, die niets doen in Gods Koninkrijk, op rijperen leeftijd in den regel geestelijk ziek worden. Men heeft niet weinig Christenen in onzen tijd, die in vroegere jaren een zeer opgewekt, leven mochten genieten en die nu zoo dor en doodsch zijn, dat men een vraagteeken moet plaatsen achter hun geestelijk leven. Anderen zijn zoo ver van God afgedwaald, dat zij zich bezig houden met alle geestelijke haarklooverijen. Ze zijn den Farizeërs gelijk geworden en zijn blij, wanneer ze een mug kunnen uitzijgen, onderwijl de kemels doorgezwolgen worden.

Anderen zijn weder zoo geesteljjk ziek, dat zij der wanhoop nabij komen en de twijfel aan God en hunne zaligheid hen opgesloten heeft in het paleis van den reus Wanhoop, zooala Bunyan het zoo meesterlijk schildert in zijn Cliristenreis naar de Eeuwigheid.

Om geestelijk gezond te blijven, is niets beter dan te arbeiden in 's Heeren Koninkrijk. Daardoor worden we bewaard om te veel aan ons zelf te denken, want doen we zulks, dan vallen we of in het euvel, dat wij meenen volmaakt te zijn, ver verheven boven anderen, of wij hebben het zoo druk met al onze zielekwaaltj es, dat we alle geestelijke dokters naloopen en ten laatste ons vertrouwen gaan stellen in den mensch, in plaats van in Chriatus.

En daarom nog eena: Nooit te veel arbeid voor den Heer, want Hij is het, die den moeden kracht geeft.

J. van '-t llndenhout.

Bidden.

Zijt dan nuchteren en waakt in de gebeden. Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigten van zonden bedekken.

1 Pets, 4, 8.

sZijt dan nuchteren en waakt in de gebeden,'' zegt de apostel. Overigens weet hij van geloovigen, die werkelijk dien naam

verdienen, nieta te zeggen. Dit zegt alles en is de hoofdzaak. Wie den H. Geest ontvangen heeft, diens innerlijke mensch is gezond, zijn geest is bezonnen, zijne ziel is nuchteren. Ziek zijn wij, wanneer wij aan onze lusten den teugel vieren, doodziek, want de lust baart zonde en de zonde baart den dood. Ziek zijn wij ook, wanneer wij onze gewaarwordingen en ons gevoelsleven vertroetelen en ons thuis gevoelen in dweperij, die den grond onder de voeten verliest en die ons niet klein en nederig, maar ingebeeld en hoogmoedig maakt.

Wanneer de H. Geest tot ona komt, dan geneest Hij ona en maakt ons bezonnen en nuchteren. Dan ontwaken wij uit den roes onzer lusten of onzer inbeelding; niets kan ons meer gevangen nemen, leed noch blijdschap, hoogte noch laagte, tegenwoordigheid noch toekomst, mensch noch engel. Wij krijgen heerschappij over ons zelf. Wij weten wat wij willen en wij willen niets anders, dan dagelijks steeds kleiner en steeds reiner worden, steeds stiller en tevredene? in God. De kreet van berouw uit de diepte, die niemand dan God alleen kan hooren, is het zekerste kenteeken, dat uw innerlijke mensch gezond geworden is en dat gij den H. Geest ontvangen hebt.

Wie dagelijks berouw toont, dien geeft God als behoeders zijns levens twee engelen mede: bezonnenheid en nuchterheid. Mogen de beproevingen ona bezoeken, biddend wachten wij op den zonneschijn der genade. Mogen laster en miskenning ons kwellen, geloovig zien wij op tot den Heer, die de Zijnen kent. Moge de leugen zegepralen en telkens opnieuw overwinningen behalen, wij kennen den Getrouwe, die ons ook door vernedering tot de zegepraal leidt.

Wees kalm en stil, opdat ons bidden niet gestoord worde, want Gods 'Geest blijft niet bij ons, wanneer niet het dagelijksch gebed, zij het dan ook in den vorm van een onuitgeaproken zucht, het zegel van ons geloof blijft Maar hoe zou de H. Geest blijven, waar zich achter een Christelijk schild goddeloosheid, haat, toorn en wraak ophoopen! Waar echter Gods Geest gebleven is, daar heerscht eene stemming des gebeds en wel zulk eene, die den omgang met God steeds weer begint met: »God, wees mij zondaar genadig."

Maar vooral, hebt vurige liefde tot elkander. Dit ia het voornaamste kenteeken, dat iemand den H. Geest ontvangen heeft. Yeel wordt liefde genoemd, wat eigenlijk niets daa eigenliefde is. De liefde, die door den Geest wordt ontstoken, bestaat niet in woorden, maar in kracht. En omdat zij voortkomt uit berouw, zoo heeft zij eene moeilijke kunst geleerd: de kunst om te vergeven, wat tevens de ware kunst is om te bidden. Want Christua zegt: »Wanneer gij staat om te bidden, vergeeft."

De Christenen in Armenië.

Het navolgende schrijven met uittreksels van brieven uit Armenië is door mij ontvangen en wensch ik (vertaald) aan de belangstellende Christenen in Nederland mede te deelen.

De Voorzitter v. d. Ev. Alliantie, F. v. BYLANDT.

Zeist, 31 Juli 1896.