is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1899, no 1468, 15-02-1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomen en olijvengaarden; de palmen der overwinning groeien daar en de olijftak des eeuwigen vredes bloeit daar onverwelkelijk bij storm en zonneschijn, des zomers en des winters. Deze stad Gods heeft ook hare kristalheldere, zacht ruischende beekjes, de zuivere bron van Gods Woord, de verkwikkende en de het geloof versterkende Sacramenten, Doop en Avondmaal, en de onuitputtelijke bron van Gods genade en het bloed van Jezus Christus, dat ons reinigt van alle onze zonden; dat is meer nog dan Siloa en Bethesda, dat zijn de nimmer uitdrogende beekjes der stad, die de heilige woningen van God zijn. O, zalig hij die burger is van die stad, en zich houdt aan de gemeente des Heeren. »God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal ze helpen bij het aanbreken des morgenstonds." Ja, God zelf is bij zijn volk; hij is in het midden zijner gemeente met zijne beschermende almacht, met den troost zjjns Woords, met de kracht zijns H. Geestes, daarom zal zij blijven. Want is God vóór ons, wie zal dan tegen ons zijn? dat blijft haar leus in tijden des gevaars. En hoe wonderbaar dikwijls mag zij zijne hulp ervaren! God helpt haar in den morgenstond. »Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich" zoo ging het te Jeruzalem. Des avonds legden duizenden zich neder vol angst en zorgen; daar lag nog een machtig leger voor de stad; maar zie, des morgens was het leger geslagen door den Engel des Heeren, en vluchtende ging de vijand naar zijn land terug, en vele duizenden harten te Jeruzalem ademden vrij en leefden vroolijk weer op. God helpt haar tijdig. Ja, eer wij het voorzien is hij met zijne hulp daar; dat hebben wij ook dikwijls met vreugde mogen ondervinden, als wij op hem vertrouwden en ons aan hem hielden in geloof en gehoorzaamheid. Daarom mijn ziel, wilt gij veilig en gerust zijn onder alle stormen des levens en u goed houden in alle beproevingen, ga dan naar Jeruzalem, de hooggebouwde stad; blijf bij den Heer, houd u aan zjjn volk, aan de gemeenschap der geloovigen; houd u aan zijn huis, waar de woningen des Allerhoogste zijn, en het den zijnen doet ondervinden: Ik ben onder u. Houd u aan de bron van zijn heilig Woord, en aan zijne Sacramenten, die van zijne genade spreken, en ook gij zult het ondervinden: God is bij zijne gemeente, daarom zal zij blijven; ook gij zult triumfeerend zingen:

Ruwe stormen mogen woeden,

Alles om mij heen zij nacht,

God, mijn God, zal mij behoeden, God houdt voor mijn heil de wacht.

Moet ik lang zijn hulp verbeiden,

Zijne liefde blijft mij leiden :

Door een' nacht, hoe zwart, hoe dicht, Voert hij mij in 't eeuwig licht.

Ja, hjj bedwingt met sterke hand de vijandige machten.

Zijne vijanden zullen verbrijzeld worden.

Dat is de tweede gedachte in de tweede helft van den psalm. ïDe heidenen raasden, de koninkrjjken wankelden; hij laat zjjne donderende stem hooren, de aarde versmelt." Ja, de trotache, machtige heiden Sanherib en zijn leger, die voor geen aardeche macht vreesde, hij moet vergaan met zijn heir, als de Engel des Heeren het leger sloeg, en de pest uitbrak. Tegen dezen viiand baat geen harnas of schild, geen

zwaard of speer, voor hem verbleekt de moedigste en verstomt de vermetelste, en waar des daags nog wilde krijgsliederen klonken, daar hoorde men nu slechts klaagliederen, en lijkzangen; doch in Jeruzalem zong men: »De Heer Zebaoth is met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek."

Der legerscharen Koning Beschermt ons uit Zijn woning!

De God van Jakob is ons deel, Ons onverwinlijk burchtkasteel.

En nu, nadat het overgebleven deel van het vijandelijke leger weeklagend is afgetrokken, is het alsof wij met het volk uit Jeruzalem buiten de poort worden uitgeleid, om te zien wat de Heer gedaan heeft. »Komt, aanschouwt de daden des Heeren, die verwoestingen op aarde aanricht." Wat zien wij daar? Een groot slagveld, met lijken overdekt. Geen bloedige wonden ziet men bij deze verslagenen, maar de vreeselijke blauwe pestbuilen, aan welke zij gestorven zjjn; geen zwaard des menschen heeft dezen slag geslagen, de Engel des Heeren heeft het in dezen nacht gedaan. Ja, de Heer kan wonderbare veldslagen voeren en groote legers dooden zonder het trekken

van het zwaard. In wiens geest verrijst niet bij deze woorden die groote verwoes¬

ting, die de Heer Zebaoth in 1812 op de sneeuwvelden in Rusland bij het overtrekken van de Beresina aangericht, en aan onze Yaderen in de velden van Quatre Bras en Waterloo over den dwingeland

Napoleon, een tweeden Sanherib, de overwinning gegeven heeft. Bier is Gods vinger, hier is de arm des Heeren, van den Heer, »die de oorlogen doet ophouden tot de einden der aarde, den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, de wapenen met vuur verbrandt." Wel gebruikt hij dikwijls de machtigen der aarde als zijne tuchtroede. Maar als hij hen gebruikt heeft, werpt hij hen in het vuur, gelijk men den versleten bezem in het vuur werpt; dan moeten ook zij gewaar worden dat zij met al hun macht en list niets waren als werktuigen in de hand des Almachtigen,gel|jk de profeet zegt: »Zal een bijl zich beroemen tegen d:en die daarmede houwt ? Zal een zaag pochen tegen dien ze trekt ?" (Jes. X : 15a). Neen, slechts Een komt de eer toe. »Laat af, en weet dat Ik God ben, verhoogd onder volken, verhoogd op de aarde." Als hij gesproken heeft, zwijgt de aarde; van schrikzwijgen de vijanden, vol aanbidding zwijgt zijn volk en een heilige huivering gaat door de menschheid. Maar als dan de eerste verbazing is voorbijgegaan, breekt z|jn volk los in vroolijk lofgezang: »De Heer der heirscharen ia met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek". Ja, dat zal de leus van het volk van God in het Nieuw Verbond worden, geljjk eens in het Oude: God met ons.

Naar Gerok. H. C. Y.

Dr. Otte en zijne hospitalen te Amoy in China.

Daar de brieven van Dr. Otte in de laatste dagen reeds in verschillende bladen zijn opgenomen, achten wij het minder noodig deze ook hier een plaats te geven. Alleen maken wij er onze lezers opmerkzaam op, dat nu het Nederlandsch Vrouwenhospitaal te Amoy geopend is, het iederen Hollander, die een hart heeft voor de zending, een eere moet zijn, een kleinere of grootere gave af te zonderen voor den arbeid van onzen waardigen broeder Otte, die met zooveel zelfopoffering zijn werk verricht. Wij herinneren onze vrienden en de vrienden van Dr. Otte er aan dat den 23ston dezer te Rotterdam de jaarvergadering van het Holiandsch-China comité voor Dr. Otte zal worden gehouden en dat des avonds in een der zalen aldaar een openbare vergadering zal zijn, waarbij in lichtbeelden het hospitaal en wat op den arbeid van Dr. Otte betrekking, heeft, zal worden vertoond. We twijfelen er niet aan, of velen zullen deze samenkomst gaarne bijwonen. Wie nu nog iets in zijn hart heeft voor het Nederlandsch Yrouwenhospitaal te Amoy vergete niet het voor den 23sten te zenden aan het adres van den Penningmeester Dr. W. B. van Staveren te Rotterdam.

Ook de redactie van »Het Ooaten" wil gaarne de giften in ontvangst nemen.

J. van 't Lindenhout.

PROGRAMMA.

1. GEBED EN OPENINGSWOORD door den Voorzitter.

2. VERTOONING VAN GEKLEURDE LICHTBEELDEN naar Bijbelsche prenten, vervaardigd door een bekeerden Chinees, — nu Zendeling-Leeraar; — toegelicht door een der Bestuursleden en opgeluisterd door toepasselijke liederen door eeh Damesoctet, onder leiding van den Heer H. Snel.

a. DE ZONDVLOED: Psalm 2 vs. 6 en 7

berijmd.

b. DE REDDING UIT DEN KUIL: Psalm

40 vs. 4 (onberijmd).

c. HET PAK DER ZONDEN (naar Bunyan) :

,/Waar? — Daar!" Solo, te zingen door

Mevrouw N. N.

d. DE VERLOREN ZOON: Lucas 15 vs.

18 en 19«.

e. DE BARMHARTIGE SAMARITAAN:

//Zalig zijn de barmhartigen, want hun

zal barmhartigheid geschieden." Wijze:

Gezang 24.

Pauze.

3. VERTOONING VAN LICHTBEELDEN naar Photographieën in en om Necrlandsch Vrouwen-Hospitaal te Amoy, vervaardigd door Dr. J. A. Otte.

4. DE STIP: Zendingslied.

5. SLOTWOORD EN DANKZEGGING door een der HH. Predikanten-Bestuursleden.

Programma's a 10 Cents verkrijgbaar.

Kroniek der Weesinrichting.

Het wordt bij de opvoeding maar al te dikwijls vergeten, dat men nooit iets van een mensch kan maken, waarvoor hij in beginsel geen aanleg heeft. Ik ken vele jonge menEchen, wier toekomst zeer donker is en waarvan men zonder profeet te zijn en zonder veel menschenkenni3 te bezitten kan voorspellen, dat wat hun maatschappelijk leven aangaat niets van hen terecht

komt, indien er gèen verandering plaats heeft in hun levenstoestand, d. w. z. wanneer zij niet gedwongen worden öf door de omstandigheden, waarin ouders of voogden verkeeren, of door hetgeen deze oordeelen geschikt te zijn voor hun opvoeding. De omstandigheden maken den man is een spreekwoord, dat in vele opzichten mank gaat. Er z|jn zeer vele jongens en meisjes, die in den gunstigsten toestand verkeeren , wat hun opvoeding betreft en het onderwijs dat ze kunnen genieten, zoodat er in dit opzicht voor hen niets te wenschen overblijft. En toch komt er niets van hen terecht, indien men niet intijds nog terugkomt van de dwaze plannen, die bij hun opvoeding gemaakt worden.

Niemand moet meenen, dat een jongen, die met zijn armen kan zwaaien en verzen kan reciteeren of die praten kan als een rammelaar, geschikt is om dominee of advocaat te worden. Zoo is het ook volstrekt nog niet zeker dat iemand, wanneer hij als jongen mooi kan schrijven en bij het rekenen een zekere handigheid en vlugheid betoont, geschikt is voor onderwijzer. Evenmin is het een bewijs, dat een jongen een goed timmerman zal worden, al heeft h|j neiging om overal spijkers in te slaan en planken stuk te maken. Voor dit alleï is veel meer noodig en ouders doen zeer wijs, wanneer kinderen hun wensch uitspreken, om onderwijs te ontvangen in het vak, dat zij weuschen uit te oefenen of voor eenige betrekking, waarvoor zij zich wenschen te bekwamen, dit eens te laten overwinteren, En dan moet men hun niet alle dagen daarmede lastig vallen of in hun bijzijn anderen daarover spreken, want dan wordt de zonnige zijde van dit vak of die maatschappelijke roeping hun zoo voorgesteld, als het nergens in de wereld in de practijk van het leven gevonden wordt. Eerst op een leeftijd van 13, 14, 15 jaar kan het duidelijk worden wat er in een jongen zit. Men zal niet zelden waarnemen, dat jongens, die als kinderen allen aanleg hebben voor studie, op dien leeftijd in eens stil staan en anderen, die met zeer veel moeite hun medeleerlingen op school gelijk konden bljjven, hen nu snel vooruitgaan. Zoo gaat het ook met het leeren van een ambacht en de studie voor andere betrekkingen. Ik heb een kleermaker gekend wiens zoon wilde studeeren en die zeide: dat nooit, je moet kleermaker worden. Gelukkig heeft de vader ten laatste toegegeven aan het verlangen van zijn zoon en is deze gaan studeeren. Later werd hij een man van groote beteekenis op letterkundig gebied.

Wat er in eea jongen zit moet er vanzelf uitkomen, anders gaat het niet. En zoo is het ook met de meisjes. Al z|jn er steeds vele buitengewone trouwen geweest die op het gebied van het practisch le¬

ven zoowel als in de wetenschap een eersten rang hebben ingenomen, ik zou het toch een ramp achten, wanneer alle dames gingen atudeeren en alle meisjes een opvoeding kregen, die hen in staat stelde, om met de hoogste standen der maatschappij te kunnen wedijveren. Want in negen van de tien gevallen zou het mis¬

lukken. En welk een treurige toekomst moeten dan deze schepsels hebben.

Wat niet in den mensch is, kan men er van buiten niet inbrengen. Al wat er in is, kan ontwikkeld worden en het is een groote zegen, dat in onzen tjjd de middelen en gelegenheden hiervoor zoovele zijn. Gelukkig bestaan die gelegenheden ook voor de weezen op Neerbosch, niet alleen op de school, maar ook op de verschillende industriescholen als : letterzetterij, drukkerij, meubelmakerij, schoenmakerij, klompenmakerij, smeder|j, timmerwinkel, tuinderij en en bloemkweekerij, boerderij enz.

De weezen, die een plaats op Neerbosch hebben gevonden, vinden daardoor overvloedige gelegenheid om, voordat zjj tot een keuze komen — en ze zijn vrij welk handwerk zij willen leeren, — van allerlei handwerken van nab|j kennis te nemen. Het is geen geringe zaak, dat wanneer een jongen een keuze doet, h|j reeds van zijn

kindsche jaren met het handwerk, dat hg wil leeren, van nab|j bekend is. Het is hier aan toe te schrijven, dat zoovele jongens een ander handwerk kiezen, dan dat wat hun vader heeft uitgeoefend, daar men weet welke moeilijkheden verbonden z|jn aan het aanleeren van dat vak en de bezwaren, die aan de uitoefening er van zijn verbonden. Wat men echter ook kiest, altjjd bljjft het waar, en hiervan moet een jongen, die iets leert zich bewust bljjven: In het zweet uws aanschrnï zult gij uw

brood eten. En dat geldt zoowel voor een advocaat als een schoenlapper.

Een andere groote fout, die maar al te dikwerf, vooral bij de opvoeding van weezen, over het hoofd gezien wordt, is dat

maar zelden uit een kind, in een stad geboren, een echte boer groeit. Men zal altijd zien, dat in het begin het leven buiten op de dorpen o zoo goed bevalt. Men is er recht gelukkig. Maar het duurt niet lang. Als men begint te merken, dat op het land distelen en doornen groeien en het hier niet altijd rozengeur en maneschjjn is en aan het buitenleven dikwerf de grootste ontberingen z|jn verbonden, dan trekt men weer stadwaarfs. Daar heeft men meer gelegenheid tot conversatie, men vindt er lichter vrienden en komt er, zooals men meent, gemakkelijker vooruit. Hieraan is het toe te schrgven, dat er dorpen zijn in ons land, waar jaren achtereen bij de kleine boeren en arbeiders weezen zijn uitbesteed die uit een stad komen, en het toch tot de uitzonderingen behoort, wanneer er nog iemand van degenen, die hier in vroegere jaren onder dak waren gebracht, wordt aangetroffen. Men kent den toestand op het platteland niet, anders bracht men niet dan bij hooge uitzondering kinderen uit de steden naar buiten. In zedeljjk opzicht zijn misschien de verleidingen niet zoo groot als in de stad, maar in het verborgen is de zedeljjke toestand er, in het algemeen genomen, niet beter. Het familieleven laat vooral bij den kleinen boer of arbeider in vele gevallen ook heel wat te wenschen 07er. De verhouding tusschen man en vrouw en die van kinderen tegenover ouders is ook geheel anders dan men in de steden aantreft. Ik wil niet zeggen, dat, al is daar een stijfheid en stroefheid die onaangenaam aandoet, er daarom geen liefde woont in de harten. Misschien zelfs meer dan bij die lieve menschen in de steden. Maar dit is zeker, dat het kind uit de stad op het dorp in een geheel anderen levenskring wordt overgeplaatst, dan waarin het voor dien t|jd verkeerde.

Er zjjn ongetwijfeld op de dorpen huisgezinnen, waar men met de meeste gerustheid kinderen kan uitbesteden en gelukkig zijn ze er meer dan witte raven. Maar ze zijn, dit is onze ervaring, en we meenen met den toestand op het platteland volkomen op de hoogte te zijn, zeer moeilijk te vinden. Inderdaad zijn er weinig gezinnen waar men kinderen, wier opvoeding verwaarloosd is, met vrijmoedigheid onder dak kan brengen om de eenvoudige reden, dat men maar al te dikwjjls de opvoeding van eigen kinderen veronachtzaamt en men zich niet de minste moeite geeft, om verkeerde karaktertrekken bij de kinderen te onderdrukken of goede eigenschappen te ontwikkelen.

We danken daarom nog altyd den Heere God, dat er op Neerboscb een toevluchtsoord is voor de ouderloozen en we dagelijks uit 's Heeren hand levende, ondervinden, hoe God een Vader der weezen is. Wjj bevelen dezen arbeid in het bijzonder in de biddende belangstelling onzer lezers aan en hopen zeer, dat onze vrienden nu eens trouw onze Zustervereeniging »Dorkas" te Neerbosch zullen helpen in het plaatsen van loten. De gevraagde toestemming is verkregen, dus men kan nu vrij aan den gang gaan. Elk doe eens z|jn best, opdat de zusters er zich over kunnen verbljjden,

dat zij door dezen arbeid de kas der Weesinrichting met een rijke bjjdrage kunnen steunen.

De volgende week zullen de weezen, die behooren tot het zang- en muziekgezelschap, onder leiding van onzen medearbeider A. Sneep en mijn zoon Jakob met een van onze juffrouwen, de volgende plaatsen bezoeken:

Maandag, 20 Febr. des avonds 8 uur in de groote zaal van »'tNut" te ARNHEM; Dinsdag, 21 Febr. te 7 uur in »Iréne" te VELP ; Woensdag, 22 Febr. te l1^ uur in de Concertzaal te DOESBURG; Donderdag, 23 Febr. te 61/, uur in de Ned. Herv. Kerk te DOETINCHEM en Vrijdag, 24 Febr. te 6 uur in het Evangelisatielokeal te WINTERSWIJK.

In deze samenkomsten zullen mededeelingen gedaan worden van den arbeid onder de weezen. Onze vrienden, die daar belang in stellen, worden vriendelijk uitgenoodigd, deze samenkomsten te bezoeken. Wij hopen, dat deze reis evenzeer door God zal gezegend worden als de vorige, en wij vertrouwen, dat onze vrienden het de weezen en die hen vergezellen op hun tocht zoo gemakkelijk mogelijk zullen maken. We zeggen hun bereids dank voor de hulp aan hen verleend.

Al onze wezen zjjn wel behalve Izaak Faro, die nog [altijd te bed ligt. Gelukkig neemt hij in de laatste dagen in beterschap toe. Ook is een klein kindje (Wil¬

lem van der JAuliej vrij ernstig ongesteld. We hebben echter hoop, dat de Heer het ons zal laten behouden, daar het in de laatste twee dagen iets beter is.