is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1903, no 1694, 17-06-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.V. JG94.

WOENSDAG 17 JUNI

1903

IHHIIB HH8MB ^BWHHB» ^BBBSllslilHHh «B^S@^8B BSpfflijBSisBTOflH HilHiH HHHH ^

algjljP8 Ki|f9 fel®® ISslB Eg® Bfl&i «m, «Hi&gj mm p§p||B %$§§§& 8B il^3 mBpSsIb pS® jSSBl BH \

f^^Jri Kl'i 1111111 SBH ItSlcil pSjBfc' ||«ïi| gË&n ^lm RËjg SM^S' Wm • stftÉÉ f .' ; v.; $ ]

Prrkklil gruiii atn €|ri|rliikr ||iUit}rifir.

Ziet. H»Kom* met de wolfcen en aUe oog -H Hem eien, ook RsdaCteur: J. VAN 'T LINDENHOGT. Dö „me„ hebt ^lieden alU'ü met u, maar M« hebt r<3

aw»». ai» Hemdooratofcen hebben; «n «üïe So8laohten der UltfleVBr: P. J. MILBORN, niet altfld.

asfes^ö» awlltexj o*®* H&m rotaw bedreven; ja amsa. » i

Opoato. 1 va. 7. THJ NrjMEGKN. " VB' 8'

Dit blad veïsshgnt eiken Woensdag. Abonnementsprijs per halfjaar f 1.50. Afzonderlijke fummen 10 Cent. Prijs de? Adrertentiën: van I —10 regels f 1.—, elke regel meer 10 Gent. Adm'teatieü gelieve men franco ts seisden *an den Uitgever te Ngmegen; Ingezonden Stukken aan de Redactie en Gelden aan den Administrateur A. 3. Bloemendal te Neerbosch,

Bij dit nummer behoort een Bijvoegsel,

Aan de vele vrienden, die

mij de vraag gedaan hebben,

waar ik mij na het verlaten van Neerbosch metterwoon zal vestigen, deel ik mede. dat ik een huis heb gehuurd aan den Kronenburgersingel te Nijmegen en dit in het begin van Juli hoop te betrekken. Den juisten datum zal ik lateibekend maken. Hun, die mij nog op Neerbosch wenschen te bezoeken, bericht ik, dat ik tot den 24sicn dezer hier nog verblijf houd. Echter vraag ik zeer vriendelijk dat men, indien men mij nog wenscht te bezoeken, mij hiervan vooraf bericht zende, opdat men mij tehuis vinde. daar in deze dagen ook nog vele werkzaamheden op mij rusten buiten Neerbosch. Het zal mij aangenaam zijn mijne vrienden en vooral ook de oud-weezen hier nog te mogen zien.

Wij vestigen de aandacht der vrienden, die iets ter gedachtenis van onze 40sto jaarvergadering wenschen te bezitten, op het boekje: „Het ontstaan der Weesinrichting. Eene herinnering bij het 40-jarig bestaan der Stichting", waarin men 12 afbeeldingen vindt van de Weesinrichting, zooals deze op hét oogenblik is. De prijs is 40 Gents. Bij alle soliede boekhandelaars kan men dit geschrift bestellen.

J. VAN 'T LINDENHODT.

Verslag van het 40ste jaarfeest dsr Weesinrichting te Neerbosch.

Dinsdag 9 Juni te half acht uur werd in de weezenkapel de vooraf aangekondigde bidstond gehouden ter voorbereiding van het 40ste Jaarfeest der Weesinrichting.

Vele vrienden zoowel uit Nijmegen als uit verschillende deelen des lands waren daarbij tegenwoordig.

Nadat het zangkoor der weezen zich

had doen hooren en de aanwezigen hadden gezongen het bekende 3de vers van Ge¬

zang 2, ging de heer v. 't Lindenhout voor

in gebed. Daarop hield hij een korte toe-

fapraaK naar aanleiding van Joh. 14: 11

en IJ : Gelooft Mij dat Ik in den Vader

ben, en de Vader in Mij is, en indien niet, zoo gelooft Mij om de werken zeiven. Voorwaar voorwaar zeg Ik ulieden, die in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal Hij ook doen, en zal meerdere doen dan deze ; want Ik ga henen tot Mijnen Vader.

In deze woorden, zoo zei Spr. is ons zoo veel van Gods liefde klaar en duidelijk omschreven als wellicht op t?een enkele Mdere p,aa,s der Heilige S?hrtfl Deze weinige woorden bevatten meer kennis van God en van Zijne lietde jegens zondige schepselen dan iets anders. Hoe dikwijls komt de gedachte in ons op als wij tot naderen, alsof Hij zoo ver van ons verwijderd ware, dat er geen mogelijkheid £estaat om met Hem in betrekking te omen. Hoe weinig verstaan wij het nog: 0 was in Christus de wereld met Zich verzoenende. Hoe weinig is het ons nog ui e ijk: J3;e jjy gezjen heef^ die heeft, en vader gezien. Welk een rijkdom van genade en liefde ligt in deze woorden, als we denken aan den Zone Gods, en iem in den geest volgen, als Hij het land

doorgaat goeddoende, kranken genezende, bezetenen ontrukkend aan 's Boozen macht, de tranen der weduwen en weezen drogende. Voor Hem vluchtte zelfs de dood. De macht der liefde is de macht Gods en de dood moet daarvoor wijken. Hoe zullen we de liefde van onzen Heiland beschrijven. Aanschouwt Hem, als Hij staat aan het graf van Lazarus, in de woning van Jaïrus : als Hij zegenend do hand uitstrekt naar den kranke, die reeds 38 jaren had doorgebracht in de zalen van Bethesda. Maar bovenal aanschouwt Hem, als Hij aan het kruis hangt, tusschen Hemel en Aarde, als een gevloekte. Hij, die toch alle macht heeft in Hemel en op aarde, verlaat het kruis niet, omdat Hij door dat kruis ons wilde verlossen. Van dat kruis klonk nog een woord van liefde tot den moordenaar, die op zijne bede de heerlijke woorden vernam: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.

Indien gij Mij niet gelooft, zoo zegt de Heer, zoo gelooft Mij om de werken zelve. Dat is het groote beginsel in de liefde Gods. En daarop volgt in liet in 12de vers : Voorwaar, voorwaar zeg Ik y, die in Mij gelooft, de werken die Ik doe zal hij ook doen, en zal meerdere doen clan deze, want Ik ga heen tot Mijnen Vader. Vraagt eens aan een kind van God, aan een verloste door het bloed van Christus, die zich zelf heeft gegeven om verlorenen te redden, vraagt hem eens of 't hem moeite kost, liefde te betoonen aan anderen. Hij zal u antwoorden : hoe dwaas, 't is geen last, maar een voorrecht, 't is mij een

genot, 't schenkt mij de hoogste zaligheid. Een kind Gods kent geen grooter voor¬

recht dan de tranen van weezen en weduwen te drogen, de naakten te kleeden, de hand der liefde uit te strekken naar hen, die in lijden zijn.

Daarom zegt do Heer: Gij zult meerdere doen dan deze. Het werk van Christus is

ongetwijfeld op zijn heerlijkst geopenbaard toen Hij de stormen stilde, de dooden opwekte. Toch was dat niet zijn hoofd¬

werkzaamheid. Het belangrijkste van Zijn

arbeid wordt ons aangeduid in de bood

schap, die Hij zond tot Johannes: Aan

de armen wordt het Evangelie verkondigd.

De grondslag van allen arbeid der liefde

moet zijn : het werk van onzen Heiland

voortzetten. Niet in onze kracht. In onze kracht is niets gedaan. De Sterke Held

moet ons terzijde staan. Hij moet het doen. En als dat zoo is, kan Hij dan den mensch niet gebruiken waartoe Hij wil?

De menschen zouden, als zij personen hadden moeten kiezen, niet gedacht hebben aan den ketellapper van Bedfort, aan Moody en aan zoovele anderen, die als ze optraden niets deden verwachten. Niemand moet zeggen: Ik ben te gering om voor God te werken. Dat is slechts verkapte hoogmoed. Als God het wil, dan zijn we tot alles in staat. De werken die Ik doe, zal ook hij doen. Dat is in de eerste plaats het groote werk der barmhartigheid, der reddende troostende liefde. Gij zult meerdere doen dan deze. Er staat niet: grootere, maar meerdere. Onze Heiland zag in den geest de duizenden en millioenen die zouden komen aan den voet

van net kruis, die Zijn werk zouden voortzetten.

Welk een genade van God, te mogen

arbeiden in Zijn wijngaard. Dat gevoelen

we tnans meer dan ooit te voren.

jaren liggen achter ons. We

zouden kunnen spreken van veel lijden. Maar als we in een bloementuin komen, dan vestigen we onze aandacht niet op de doornen, maar op de rozen. Laat ons zoo doen in deze dagen en denken aan

de groote genade van God, die dit werk

heelt uitgebreid en gesteld heeft tot grooten

zegen. Een zeer bekend predikant schreef

mij dezer dagen, God te danken dat hij op Neerbosch den grootsten schat gevonden had, dien men op aarde gewinnen kan. De Heer heeft op allerlei wijze onzen arbeid gezegend. En dat zal te Neerbosch steeds ondervonden worden, indien men zijn betrouwen stelt op den levenden God en van Hein alleen alles verwacht. We verwachten groote dingen van den Almachtige. Van Hem is onze verwachting. En zij, die onze plaats zuilen innemen, zijn het daarin met ons eens. Daarom: geen nood. De Heer is aan de spits getreden.

Nog een enkel woord. De Heiland heeft ons achtergelaten in Zijne plaats. De gemeente Gods is het waardoor Hij als een zuurdeeg het bederf wegneemt, waardoor Hij het licht doet opgaan in de harten. Nog eens: Gij zult meerdere doen deze. Laat ons zooveel werken voor den Heer, dat er geen tijd overblijft om aan ons zelf te denken, zoolang tot Hij ons ontvangt, daar waar zij, die in den Heere sterven, rusten van hunnen arbeid. Even zeker als het is, dat niet onze werken ons in den hemel kunnen brengen, zoo zeker is het ook, dat geen verloste de poorten van het hemelsch Jeruzalem zal binnengaan, tenzij dat zijne werken hem volgen.

Veertig

De heer Douma, Evangelist te Nijmegen sprak nu een kort woord:

Dit uur van samenzijn is gewijd tot een dank- en bedestond. Dat is op zich zelf reeds iets plechtigs, want een bid¬

stond en dankuur beteekent niet maar

dat er een enkel woord gesproken wordt,

— dat is het doel niet —, ook niet dat er

enkele gebeden worden uitgesproken, maar

het beteekent niet minder dan dat we

ons stellen voor het aangezicht des Heeren, en zooveel mogelijk alle dingen ier zijde stellen, om in stilheid met God alleen te zijn. Dat heeft op dezen vooravond van

het 40ste jaarfeest iets gansch bijzonders. Als we ons stellen voor het aangezicht

van Hem, die harten kent en nieren proeft, en een blik werpen op die 40 jaren, — waarvan ik persoonlijk slechts de laatste jaren iets gezien heb, maar waarvan ik als kind reeds zoo gaarne las in de kroniek van Het Oosten — en we worden dan geroepen tot dankzegging, dan weten we niet op welke wijze uitdrukking te geven aan wat ons hart gevoelt.

Ik denk op 't oogenblik aan een van de laatste verzen uit den brief aan de Hebreen n. 1. .Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

Dat heeft Hij getoond in de 4-0 jaren, die zijn voorbijgegaan. Hij heeft getoond te zijn de Getrouwe en een Waarmaker

Zijner beloften. Immers Hij heeft beloofd: Al wat gij van den Vader begeeren zult in Mijnen naam, dat zal Ik doen. Zeker,

er zijn meer plaatsen op aarde waar dit duidelijk gebleken is. Maar Neerbosch staat vooraan in de rij dier plaatsen. Hier is gebeden, veel gebeden, volhardend gebeden, veertig jaren lang. En dit oogenblik kan getuigen, dat het woord van Jozua ook

hier werd bevestigd: Er is niet een eenig woord gevallen van alle die goede

woorden, welke de Héér uw God over u gesproken heeft, zij zijn u allen overkomen, daar is van dezelve niet een éénig woord gevallen.

Zijne beloften zijn gebleken waar te

zijn. Dat stemt ons tot dank, tot ootmoedigen dank. Juist omdat de Heer gedaan heeft alles wat hier geschiedde door Zijne dienstknechten en dienstmaagden kunnen we nu danken. Dat geeft ook moed voor de toekomst. Die Hij in 't verleden geweest is, zal Hij ook in de toekomst zijn. Immers in Hem is de volheid van Gods ontfermend mededoogen geopenbaard. Dat geeft moed ook waar de stichting staat op een keerpunt. Hemel en aarde zullen voorbijgaan maar het Woord onzes Gods blijft tot in der eeuwigheid. Laat ons op den dag van morgen een diepen danktoon doen hooren, dan mag een hooge juichtoon er op volgen. Dat heeft beteekenis voor den grijzen dienaar Gods, die straks heengaat, beteekenis voor den dienstknecht des Heeren, die straks den arbeid hier zat aanvaarden, dat heeft beteekenis voor hen, die hier arbeiden en niet het minst voor allen, die hier een vriendelijk tehuis vonden. Hier hebben wij allen leeren verstaan dat God een Vader is der weezen en van allen die op Hem betrouwen. Daarom kunnen we blijde zijn, al is het met wonderlijke gewaarwordingen. Daarom kunnen we harten en handen opheffen tot Hem, wien toekomt de lof en de dank van allen.

Nadat de heer Douma was voorgegaan in gebed, en vervolgens de heer Wilkens

van 's Gravenhage, zongen alle aanwezigen het eerste vers van den Avondzang : 'k

Wil u O God mijn dank betalen, en sloot de heer Jakobs de vergadering met dankzegging.

Woensdagmorgen te halfacht opende de Heer Van 't Lindenhout de samenkomsten van dien dag met een bidstond. Nadat met gebed en gezang was begonnen sprak de heer v. 't L., naar aanleiding van Joh. 14: 18 : „Ik zal u geen weezen laten, Ik kom weder tot u," ongeveer als volgt:

Onze dierbare Heiland zag de tranen in de oogen Zijner jongeren. Hij gevoelde tot in het diepst van Zijn ziel welke smart, hen vervulde en hoezeer ze ontroerd zijn, nu ze vernomen hebben, dat Hij van hen scheiden zou. En nu zegt Plij tot hen : Ik zal u geene weezen laten. Ik kom weder tot u.

Van al wat hier op aarde geleden wordt, is het verlies van vader en moeder, zeker het smartelijkste, dat een kind kan treffen. Nooit kan men een kind een

moederhart, nooit een trouwe vaderhand

ruggeven. Een kind mag een oogenblik

vertrouwend opzien naar hen, die hem het gemis van vader en moeder trachten te

vergoeden, als het zich dezen nog herinnert zal telkens weer in het diepst van het hart een gevoel van gemis ontwaken, dat

de ziel verscheurt. Dat wist niemand beter dan onze Pleiland. Hij kent ons lijden

beter dan wij ons kunnen voorstellen. Hij zou niet onze medelijdende Hoogepriester kunnen zijn, als Hij niet al ons lijden in Zijne reine ziel had doorleefd. Hij heeft het lijden met ons.gemeen gehad. En waar Hij nu tranen ziet bij Zijne jongeren en hunne ontroering op hun aangezicht leest, neemt Hij een beeld uit het dagelijksch leven om hen te'bemoedigen. Ik.