is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1903, no 1722, 30-12-1903

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kroniek der Weesinrichting.

Zij liggen weer acliter ons, de feestdagen waarop wij het Te Deum van Christus' Kerk op aarde vroolijk hebben opgezongen.

Wat heil! een Kind ia ons geboren. Een Zoon gegeven door uw kracht; j De heerschappij zal Hem behooren;

Zij last is licht, Zijn juk is zacht,

Zijn Naam is wonderbaar, Zijn daden Zijn wondren van gsnaad' alleen;

Hij doet ons, hoe met schuld beladen, Verzoend voor 't oog des Vaders treên.

In Hem verschijnt, uit Hem zal spreken De wijsheid Gods, der zielen raad;

Da troost zal van Zijn lippen leken Voor Adam's neergebogen zaad.

Hoep uit tot Hem, gij wien de zonde Geworpen heeft op 'tsmartlijkst bed! Gebroken hart! toon Hem uw wonde. Hij heet: „de Sterke God", die redt.

O Vredevorst1 Gij kunt gebieden Den vrede op aard' en in mijn ziel! Doe eiken zondaar tot U vlieden;

Dat al wat ademt voor U kniel'!

Dat zal de God des heils bewerken Hij zal den zetel U bereid,

Met recht en met gerechte sterken.

Hem zy de lof in eeuwigheid!

Én thans maken wij ons op naar het graf van een wegstervend jaar, naar het graf ook van een onzer jongens, die heenging met de kalme en stellige verzekering dat hij Kerstfeest zou vieren in het Vaderhuis met de vele woningen.

Het onverwacht afsterven van Henricus Anthonius Amaliël Palthe, geboren den 15 Januari 1888teAvereest, heeft ons zeer aangegrepen. Ja, wij wisten het: bleven de koortsen zoo hevig aanhouden, dan moest dat jeugdige leven eindigen, daarvoor waren die jonge krachten niet bestand, maar toch, hoorden wij hem bij 'n vleugje van beterschap en buiten de sloopende koorts, met moed spreken over beterschap, dan zagen wij hem in onze gedachten ook weêr gaan naar de smidse.

Het heeft echter niet zoo mogen zijn. Dinsdagmorgen had hij het zeer benauwd, en Dinsdagmiddag sprak hij vertrouwelijker met mij dan 'ooit te voren, en verzocht mij, behalve om herstel Gode ook te bidden voor zijn arme ziel.

AVoensdagvoormiddag echter zag Dokter het al niet goed in, en hij zelf ook niet, want hij wilde dat van zijn toestand nog eens geschreven werd aan de familie, die hem kort te voren bezocht had. Zoo ging het achteruit. Hard op het laatst. Telkens was hij buiten kennis. Gelukkig echter was hij nog met het postpakket, hem gezonden door zijn voogd, en met de blijdschap van een stervende keek hij naar het zilveren horloge, eens gedragen door zijn overleden vader, thans hem geschonken.

Maar hij zou bet niet dragen.

Kort vóór zijn dood, greep hij zijn oudste broertje om den hals, en gaf hem, scheidende, waarnaar hij zelf had verlangd, met den uitgesproken wensch dat hij er goed op moest passen.

Aandoenlijk.

Dat is nu de derde reeds die ik hier naar de groeve ga brengen. Zeker, gij hebt allen wel eens bij een sterfbed gestaan; en denkt misschien heden aan uwe oude moeder, die u voor het laatst een hand toestak, aan uw vader, dien gij den laatsten kus op het klamme voorhoofd druktet, maar telkens zulke f'rissche veldbloemen te zien vallen onder de zeis van den niemand sparenden maaier, och, dat stemt weemoedig.

Elizabeth ging, en Grietje, nu ook Hendrik.

Wie thans?

O, een krachtig prediker is de dood, en daarom hebben wij 's middags op de catechisatie van Hendrik's makkers, met andere woorden, herhaald wat de Broeder reeds tot zijn huisgenooten had gezegd, 's morgens na zijn verscheiden: God spreekt, en daarom jongens, laat ons niet slapen, evenals de overigen, maar laat ons waken en nuchteren zijn (1 Thess. 5 : 6).

Want is het waar, dat deze jongens onze kinderen niet zijn, ook is dit waar dat men voor hen gevoelt, wat gij nooit gevoelt voor dezulken, die u' op straat voorbijloopen of spelen op uw weg. Dezen zijn ons niet vreemd maar eigen. Konden wij, dan gaven wij ze ëén voor één 'n nieuw hart en een gebogen wil. Nu bidden wij voor en met hen, om ze dan nog bovendien te wijzen op het schielijk afsterven van één der hunnen, wiens zwijgende mond als predikt :

Die hun kostbren tijd verslapen,

Zich aan ijdelheid vergapen En niet denken aan den tijd.

Hebben vaak zich scha bereid.

Doet met ijver t' allen tijden]

Wat"g62n uitstel meer kan lijden;

Die zijn tijd met winst besteedt,

Spaart zichzelven lest en leed.

Leert uw tijd dan goed besteden.

Denkt: het is voor mij nog 't heden Morgen is 't misschien te laat Dat berouw mij niet meer baat.

Wilt gij op den hemel hopen,

Dan moet gij den tijd nitkoopen Waakt en bidt, en strijdt vooral Tot uw Heere komen zal.

Mocht de Heer Zijn komst vertragen,

Doet gelijk de wijze maagden:

Wacht, en houdt uw lamp gereed Met het bruiloftskleed gekleed.

Dan zal Hij — wat niet kan falen — Voor u open doen de zalen.

Waar de feestdisch is bereid En Hij zelf u binnenleidt.

Het spreekt dus wel van zelf, dat er aan onze feestvreugde op dit eerste Kerstfeest Iets ontbrak, al willen wij niet ontkennen, dat de rouw er ons toe bracht de kern van het Kerstevangelie: U is heden geboren de Zaligmaker, met kracht op den voorgrond te plaatsen, en met ernst te wijzen op de mogelijkheid dat dit wel eens het laatste Kerstfeest kon zijn wat wij beleefden.

En dat is noodig.

dan geen tijd zooveel programma's te zenden voor de Week der Gebeden.

Zie, dan wordt 'n mensch ten slotte een en al zaah, maaltijd, Kerstboom.

Dan, dit ging ook weêr voorbij, en gelukkig wie aan Gods hand wandelen, want die brengt Hij ten slotte toch telkens weêr aan de zeer stille wateren.

En zoo brak dan de Kerstfeestviering in onze Kapel, Vrijdagavond te 5 uren aan. Welk een heerlijk gezicht, die boom, met zóóveel licht tusschen het groen en behangen met allerlei versiering. Ja het was 'n mooie boom, dien wij hadden. Midden in onze kerk, was hij overal goed zichtbaar, en groot met klein, vreemdeling met bijwoner, vond een plaatsje naar zijn zin. De Heer Jakobs opende de feestviering en sprak over het feit dat ons hier heden zoo feestelijk bijeenbracht. Dat er gezongen werd, veel gezongen, nu eens door Neerbosch' Zangkoor, ook Solo's, maar niet het minst door de gemeente, spreekt wel van zelf. En dat allen zich beijverden, evenals de engelen van Efrata's veld, God voorop te zetten in het lied, Hem boven alles te eeren, te prijzen, be-

OUDEJAARSAVOND.

De Heer uw God heeft u gedragen als

een man zijnen zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze

plaats. Deut. 1 : 31.

DOOR KRUIS TOT KROON.

AAN TREURENDEN OP DEN OUDEJAARSAVOND.

't Jaar vlood heen, en 't maakt' u armer,

't Bracht uw ziele bittren rouw, 't Scheurd' u 't liefste weg uit 't harte, Ja, deed twijflen aan Gods +rouw.

Dierbre wenschen gingen onder,

Dierbre bloemen kwijnden heen, En waar eens de vogels kweelden, Hoord' uw ziel slechts droef geween.

Eenzaam werd u 't pad des levens,

Somber-angstig, duister-kil,

En waar eens de bloemen bloeiden, Werd 't u doodsch en dor en stil.

O dat leed, die biitre wonde,

Die daar schrijnt in 't bang gemoed, O dat kruis, die scherpe nagel, Die mijn harte krimpen doet.

O die ziel, gewond, geslagen,

Bloedend 's nachts en overdag, O, dat foltrend harteknagen, — Dat mijn trouwe God het zag!

Arme strijder, God ja, ziet het,

Hij heeft u dat leed bereid,

Wijl alleen door donkre dalen Voert de weg ter heerlijkheid.

Sterven is de weg ten leven,

Doornen zijn der rozen zaad, Wat zoo fel uw ziel doorvlijmde Wordt u eens ten eeuwgen baat.

Arme strijder, 't hoofd dan opwaarts!

Eens in 't zalig Vaderhuis Zult gij Jezus weenend danken

Ook voor 't heil van 't aardsche kruis.

Arme strijder, moedig voorwaarts!

Aan uw kruishout bloeit een kroon, Wat u donker schijnt op aarde Blijkt eens licht voor Jezus' troon.

U had het druk om alles in orde te maken voor de feestdagen, maar wij niet minder. Telkens kwamen groote bezendingenkleeren, speelgoed, manden vijgen, worsten, krentenbroodjes, olienootjes, sinaasappelen, heerlijk taai-taai, speculaas, pakken chocolade, kaarsjes, pijpen, tabak, duimstokken, sigarenkistjes, te veel om alles te noemen: een heele toko. En dat stemt dankbaar, maar het brengt veel hoofdbrekens mee. Voor ieder moet een pakje in orde gemaakt, alles verdeeld worden. Groot en klein moet iets krijgen, waar het wat aan heeft, aan leeftijd en aanleg, aan behoefte en netheid moet gedacht. De kleeren willen gesorteerd en wel op hun plaats komen. Voor het eten dient gezorgd, vooruit gezorgd, het feestmaal voor de mede-arbeidenden en het ruim 400-tal dient goed bereid te worden. Daarbij kwamen nog de vele oud-weezen die in ons midden vertoefden. Daarvoor moesten slaapplaatsen klaar zijn en de zuster in de keuken mocht er wel op rekenen dat een 20-tal meer dan gewoonlijk aanzat. Voorwaar, het hoofd zou er bij omloopen. En dan de drukte van den Boekhandel vóór de feestdagen. Deze vroeg om scheurkalenders en ze waren er niet. Gene telegrafeert om die mooie almanakken voor de jeugd, en op de binderij kunnen ze het schier niet bijwerken. Daar komt een bestelling 'per expresse van Zondagsschoolroosters, en een briefkaart om in minder

grijpt ieder ook wel. Mejuffrouw Van Zon, vroeger wijkzuster van mij te Schiedam, vertelde een beeldig verhaal, en onderareteekende ten slotte van een zonderling

Kerstgeschenk. De tijd vloog om, en had¬

den de opgebrande kaarsjes ons met herinnerd: maak er een eincl aan! dan waren wii zeker nog langer dan ruim twee uren

rondom den Kerstboom blijven toeven.

Het was er ook zoo aangenaam, en het deed ons goed met zulk een groot getal oud-weezen Kerstfeest te vieren, allen zich weer echt thuis gevoelende op Neerbosch, ook al droeg ér een de uniform van de infanterie, versierd met de strepen van sergeant, verworven in weinige maanden. Ik zeg dat het kranig is, en hoop dat allen, die zijn naam dragen, en heengingen of nog bij ons zijn in broers voetstappen zullen treden. Mannen broeders, oudweezen, weest kloek en fier, en laat uw leuze blijven: Met God. en met eere de wereld door-! En gij, dochteren van het weezendorp, vergeet, waar ge ook dient en toeft, nooit dat het schoonste toilet bestaat in het bovenkleed der reinheid en het onderkleed der godsvrucht. Versiert uw wandel dan bovendien met oprechtheid en waarheid, met zuinigheid en bescheidenheid, dan zult gij in uw kastje geen onbetaalde rekening vinden van prullaria, maar stapels goed met eigen hand genaaid, en door eigen sorg bij elkaar gekregen.

Ziet, mijn wensch is dat het u allen wel ga, en dat uwe zielen wel varen.

Op den tweeden Kerstdag, hadden wij na de kerk alle oudweezen bij ons aan huis op de koffie gevraagd. Wat 'n gezelschap, en wat 'n gezelligheid toen de tongen los kwamen en wij elkaar wat van naderbij leerden kennen.

Ook droeg op dezen dag in ieder huis de maaltijd een eenigszins feestelijk karakter. Aan het middagmaal kreeg b. v. ieder een sinaasappel. Of allen de prediking van dien sinaasappel verstaan hebben, weet ik niet, maar in ieder^geval hoop ik, dat wat op Neerbosch leeft altijd rond, altijd frisch, altijd pittig en altijd oranjegezind zal zijn.

's Middags zijn wij in Elim geweest. Is het daar niet goed? Ik zou het denken. Wat er te doen was? Het kerstgeschenk in speelgoed, werd bij wijze van 'n tombola uitgedeeld aan de kleine jongens en meisjes. Ieder beproefde daar kosteloos zijn geluk, en nieten waren onbekend. Allen hadden dus reden om dankbaar en blijde te zijn. En zij waren het.

Om half vijf 's avonds was de kerstboom ontstoken in het Moederhuis. Aantrekkelijk zag de boom er uit. Geen bonte maar alleen witte versiering. Er heerscht een goede smaak in het huis der kleintjes, dat bleek ook uit de mooie spulletjes, waarmede zij gekleed waren en die voor deze gelegenheid van het „schappte" gehaald waren. En wat hebben ze geluisterd naar dat kinderlijk verhaal 5.

Inderdaad het wTas mooi. Toch kwam Klaas Vaak bij een enkele den schoorsteen in, en moesten wij in deze woning der peuzels rekening houden met den beddegaanstijd.

Op den laatsten Zondag des jaars trokken wij weer kerkwaarts, en waren reeds eenige oudweezen gisteren afgereisd, omdat wij dat reizen en trekken op den Zondag, behalve in buitengewone gevallen, zeer afkeuren, toch waren er nog overgebleven om met ons te luisteren naar den Heer Joh. v. 't Lindenhout, dien wij gaarne nog eens van deze plaats wilden hooren, voordat 1903 tot het verleden behoorde.

Maar nog was de laatste Kerstboom niet : ontstoken, 's Avonds kwamen wij samen in het Ziekenhuis, en hebben daar gehoord van en ons verblijd in den Heiland, Die geboren is om jongen en ouderen vrede te geven, vrede onder het lichaamskruis, vrede met ons lot, vrede ook voor het hart, dat niet bestemd is om een ziekenzaal te zijn, maar een tempel des Heiligen Geestes.

En zoo gingen dan ook deze feestdagen voorbij, ons nalatende de herinnering aan een van de prettigste Kerstfeesten, die wij ooit vierden, én de stille hoop, dat de Heere God Zijn genade ook hierdoor zal verheerlijken op Neerbosch.

Maandagmorgen.

Vriendelijk staat de dagvorstin, door de ontbladerde takken van mijn bruinen beuk, naar binnen te kijken en schijnt vlak in mijn studeerkamer. Ik denk, wat zal dat heerlijk zijn in het land van eeuwig licht en eeuwig leven. Maar neen, ik moet geen uitstapjes meer maken, hoe aantrekkelijk het ook is om daarover te causeeren.

U begrijpt wel, dat er na drie dagen van Kerstvreugde heel wat werk aan den winkel is, alledaagsch en ook bijzonder werk.

Om met het eerste te beginnen, nemen wij een kort overzicht van de verschillende lijsten der gaven, ingekomen voor het groote huisgezin alhier. Zeiden wij in ons vorig nummer te veel met de bewering,

dat er nog menig postwisseltie onderweg

was ? Dat is heerlijk zoo'n lijst.. . . want

zij vertegenwoordigt een kapitaal van liefde en toewijding.

Gaarne wilde ik met al die vrienden en vriendinnen eens even Draten. want

dan kon ik zuster Aafke de hand drukken

en haar zessen, dat. wii bet znn nancre-

naam vinden dat de Keizersgracht ook op

deze wijze aan JNeerbosch denkt; dan kon ik die oudjes uit de Van Limminckstichting Nieuwe Keizersgracht 1 a eveneens te Am¬

sterdam eens even brengen bij den mooien

Kerstboom, die gisterenavond 111 het Ziekenhuis niet geheel „opbrandde", dan kon ik, Mevrouw Bertley, die in Afrika's binnenland (Congo) met haar echtgenoot onder de heidenen werkt, en daar vele arme weezen verzorgt, maar ook een warm hart heeft voor de kinderen van dit weezendorp, en die ons hare bijdrage uit de verte toezond, persoonlijk Gods hulp toewenschen bij haar zegenrijk werk; dat kon ik aan de vrienden te Wolvega zeggen: wat heeft u ons verrast met die groote gave tusschen zoo'n flinke bezending kleeren; dan maar laat ik.