is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1905, no 1814, 04-10-1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M°, 1814.

Woensdag 4 October.

1905.

LEDE1T ^Tj&.2ÏT HET BESTTJTJR:

Ds. A. PIJNACKBR HORDIJK, Voorzitter, te Nijmegen. — Ds. J. SCHRIJVER, Pred.-Directeur, te Neerbosch. — 0. J. HASPELS, Penningmeester, te Nijmegen.

A. BOSMAN te Nijmegen en Mr. A. Baron VAN HEECKEREN VAN KELL te Angerloo, Leden der Comm. van Financiën. — E. J. GRIFFIJN te Arnhem. — J. VAN ZWET Wzn. te Rotterdam. Ds. B. TEN KATE te Rotterdam. — Ds. J. D. VAN ARKEL te Ellekom. — Mr. E. Baron MACKAY te Arnhem. — N. J. A. C. SWELLENGREBEL te Arnhem.

Dit blad verschijnt eiken Woensdag. Abonnementsprijs per halfjaar f 1.50. Afzonderlijke nummers 10 Gent. Prijs der Advertentiën: van 1—10 regels ƒ1.— , elke regel meer 10 Gent. Advertentiën gelieve men franco te zenden aan het Bureau van Rei Oosten; ingezonden Stukken aan de Redactie en Gelden aan de Commissie van Financiën te Neerbosch.

HET OOSTEN.

Weekblad gewijd aan Christelijke Philanthropie.

i-, -jmr—m -rs" w rt l

Êm K P jUk /x ^e zulvere en onbevlekte godsdienst voor God en

Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt Jk (jen yac/er fs deze: weezen en weduwen bezoeken in

den verdrukte en den arme. . i v L . hunne verdrukking, en zich zeiven onbesmet bewaren

Psalm 82:3. Vm ff D V\MQ DQ1 flH fflf 1 H ft fQ H van de wereld. Jakobus 1 : 27.

Vdll Llu V? C CD 1111 lullllllU LC J \ uWl UwUwlll

_=^ Aangesloten bij den Centraal-Bond van Christelijke Philanthropische Inrichtingen in Nederland. -

Onder redactie van den Directeur.

De Honderd-Twintigste Psalm. ;

„Een lied Hammaaioth." !

Dit opschrift dragen vijftien psalmen achtereen, den onzen meegerekend. Letterlijk volgens het Hebreeuwsch: „Liederen van opwaarts stijgen.' Luther giste, dat zij bij de godsdienstoefening door den Levieiischen zanger en daarna door een koor van een verhoogde plaats in den tempel gezongen werden Andere Schriftverklaarders, ook de oude Johan Arndt en met hem veel jongeren, vertalen „Pelgrimslied", en houden het er voor dat deze psalmen op de feestreizen naar Jeruzalem, door de pelgrims onderweg werden gezongen. Dit vermoeden is bijzonder goed toepasselijk op de meeste dezer psalmen, en om hunne kortheid, waardoor men ze wel uit het hoofd zingen kon, en om hun inhoud, omdat uit vele een vroom heimwee naar Gods heiligdom en naar de schoone godsdienstoefeningen spreekt. Schoon en liefelijk moet het geweest zijn, als zulk een stoet van pelgrims, vrouwen en mannen, jongelingen en jonkvrouwen, kinderen en grijsaards te zamen optogen naar Jeruzalem om het Paaschfeest te vieren; als zij dan door het groene Jordaandal togen of door de palmbosschen van Jericho of door de woestijn bij de Doode zee; of als zij voor de eerste maal in de verte Jeruzalem aanschouwden, de hooggelegen stad met de koepels des tempels en de tinnen van den Davidsburcht. Als dan, op eenmaal, een uit hun midden zulk een pelgrimslied of feestpsalm aanhief met heldere stem, en allen met vrome geestdrift invielen, zoodat de heilige zangen over berg en dal klonken, was dat indrukwekkend. Ook ons, geliefden, zijn deze psalmen — van een hoogverheven koor — en pelgrims- en reisliederen.

„Een gezang uit hooger koor," een stem uit het hoogste heiligdom is ons het geheele psalmboek, een hooggezang tot ons gezongen door een hoogverheven koor van heilige zangers en goddelijke profeten: David, Salomo, Azaf, Mozes, de kinderen van Korach en Heman, klinkend in ons dagelijksch leven als een stem uit de hoogte, ons vermanend om oor, oog en hart naar boven te richten. En in zooverre is ieder dezer vijftien psalmen ook ons een lied uit hooger koor.

Maar ook pelgrimsliederen moeten deze psalmen voor ons zijn. Niet alleen gezangen van hooger koor, die tot ons naar beneden klinken, maar ook liederen voor de hier op aarde reizende gemeente, die wij niet hart en mond moeten meezingen; pelgrimsliederen om ons den tijd te verkorten, het hart opwaarts te heffen, den moed te versterken op onzen pelgrimstocht. Gaan ook wij niet op naar Jeruzalem, de hooggebouwde stad, naar het hemelsche Sion, waarvan de lichten ons toeschijnen, als de sterren in den nacht? Trekken ook wij niet op naar het hemelsche feest van

zwakke hart versterkt met zulk een vroom pelgrimslied ?

Zoo is dan deze 120ste psalm ook een

geschikt reislied voor ons. Het is niet

anders dan een klacht over booze tongen.

Maar wat maakt een pelgrim den weg dikwijls zoo moeielijk en het heimwee naar

Hooren wij, hoe onze pelgrim in dezen psalm zich den angst wegzingt:

Het klaag- en troostlied van den Pelgrim in de tenten van Kedar.

Veel uitlegging behoeft niet bij dezen korten en licht te begrijpen psalm; maar

een goede oogst.

het vaderland zoo smartelijk als juist die booze tongen en de laster, dien een kind Gods vaak moet ondervinden? Waarlijk, wat voor een pelgrim op zijn weg een slagregen is, die hem in 't gezicht slaat, hem nat maakt en bezoedelt; of als doornen, die zijne voeten verwonden en zijne kleederen verscheuren; ot als een vergiftige slang, die zich om zijn verzenen slingert;

of het akelige gehuil van hongerige wolven,

het aanschouwen; naar net teest van zalig ; dat in de verte gehoord wordt — zoo zijn wederzien; van eeuwigen vrede; naar het ; voor Gods pelgrims de lasteraars en booze schoonste oogstfeest? En is het niet noodig, j tongen, de slechte geruchten en het kwaaddat men zich het moeilijke padjverkort, het j spreken, dat hij verdragen moet.

zooveel meer is daarin om ter harte te nemen en op ons leven toe te passen. En als iemand mij de vraag doet: Wat zal mijn troost zijn in de tenten van Kedar; wat zal ik beginnen als booze tongen mij wonden, dan zal ik hem uit dezen psalm een viervoudigen raad geven :

1). Klaag uw verdriet aan den Heer.

2). Troost u met de gedachte, dat gij hruisgenooten hebt.

3). Verheug u in het vooruitzicht op het Vaderland.

4). Jaag den vrede na.

1). Klaag uw verdriet aan den Heer!

Dat is het eerste en het beste, dat een pelgrim Gods doen kan, onder al de moeilijkheden van zijn bedevaart; vooral ook bij het verdriet, dat hem door booze tongen veroorzaakt wordt. Dat is ook voor onzen psalmist het eerste.

Vs. 1 : „Ik roep tot den Heer in mijne benauwdheid." Daaraan kent men terstond den pelgrim Gods, den burger uit hooger wereld. Wat doet de wereldling als booze tongen hem verwonden, als hij gescholden en belasterd wordt? Tot wien spreekt hij zich uit ? Zijn stem verheit zich niet ten hemel, maar' tot de wereld; hij roept niet

tot God, maar tegen zijne vijanden. Hij beantwoordt scheldwoord met scheldwoord. Geheel anders doet Gods pelgrim. Eer hij tot zijn vijanden spreekt, spreekt hij met

God. Een oude Godsman gaf eens den raad, dien hij ook voor zichzelf tot regel maakte, om als hij beleedigd werd, geen antwoord te geven, eer hij in stilte het Onze Vader gebeden had. Zeker is het antwoord na het Onze Vader geheel anders uitgevallen, dan het daarvóór geweest zou zijn. Zeker,

tot God klagen, dat is het eerste en het beste, wat wij doen kunnen als wij onrecht en laster ondervinden.

Dat maakt zachtmoedig, bewaart voor

toorn en wraakzucht. Maar het maast ook moedig en bewaart voor moedeloosheid

en vrees. Want: „Hij verhoort nnj spreekt de psalmist. Dat weet hij vooruit. Als ik op aarde nergens gehoor vind, in den hemel is een oor, dat mijne klachten hoort;

ben ik op aarde zonder vriend, daar is een medelijdend hart, dat mij niet vergeet; als zij, die mij belasteren hier in gelijk worden gesteld, boven is een alziend oog, waarvan het luidt: de Heer kent de Zijnen; en sta ik hier beneden weerloos tusschen mijne tegenstanders, als een schaap te midden der wolven: boven is een almachtig Beschermheer, die den muil der wolven sluiten kan; Hij verhoort mij. Tot Hem durf ook ik roepen, even als de psalmist: Vs. 2. „Heer, red mijn ziel van de valsche lippen, van de bedriegelijke tong." Hij heeft daartoe de macht. En troostend roept Hij uit den hemel mij toe:

„Wat zal de bedriegelijke tong u geven. En wat zal zij u toevoegen?" Gewis, valsche tongen doen ook een kind van God pijn, zooals onze psalmist klaagt:

Vs. 4. „Hij, de laster, is als scherpe pijlen, als gloeiende jeneverkolen.'' Even als een pijl uit de verte, uit het struikgewas, waarachter zich een lage booswicht verscholen heeft, zoo treft ons de laster plotseling en onverwacht; als een scherpe pijl dringt hij dikwijls diep in het vleesch, zoodat, het hart er door bloedt; zoo als een vergiftige pijl vergiftigt, vergiftigt hij ons bloed, verbittert ons hart, zoodat de wond nog lang daarna pijn doet. Wie heeft daarvan niet reeds iets ondervonden ! Ook met een vuur van jeneverstruiken vergelijkt de psalmist den laster. Daarbij moeten wij nu niet denken aan de liefelijke, luchtreinigende en borstversterkende kracht van een jeneverstruikenvuur; wel aan een vuur dat op de heide door brem- en jeneverstruiken dringt, zich snel verbreidt en ver om zich heen tast, lang rookt en smeult —