is toegevoegd aan je favorieten.

Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1917, no 2401, 01-01-1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 2401.

Woensdag- 3 Januari.

1917,

Weekblad gewijd aan Christelijke Philanthropie.

Doet ren1-4, den arme en den wees, rechtvaardigt den ïiriirukte en den arme.

Psalm 82 : 3.

ORGAAN

van is fetsinricMi te Neertel

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en zich zeiven onbesmet bewaren van de wereld. Jakobus 1 : 27.

Aangesloten bij den Centraal-Bond van Christelijke Philanthropische Inrichtingen in Nederland.

— Onder redactie van den Directeur.

LEXJElSr V_A.]>T HET EESTUtrR:

irP^T' IJ^ACKER HORDIJK, Voorzitter, te Nijmegen. Ds. J. SCHRIJVER, Pred.-Directeur, te Neerbosch. — D. J. HASPELS, Penningmeester, te Niimegen H. A. VAN BAAK te Zeist. - J. W. H. CROMMELIN te Driebergen, E. RENE VAN OUWENALLER te Hilversum, leden der Comm. van Financiën. - J. VAN ZWET Wzn.

te Rotterdam. — Ds. J. D. VAN ARKEL te Ellekom. — Mr. E. Baron MACKAY te Arnhem. — N. J. A. C. SWELLENGREBEL te Arnhem. J- M. VOORHOEVE te Nijmegen. — Mr. A. ROYAARDS VAN SCIIERPENZEEL te Scherpenzeel.

Dit blad verschijnt eiken Woensdag. Abonnementsprijs per halfjaar ƒ 1.50. Afzonderlijke nummers 10 Ct. Prijs der Advertentiën: van 1—10 regels ƒ1.-, elke regel meer 10 Cent. Advertentiën gelieve men franco te zenden aan het Bureau van Het Oosten; ingezonden stukken aan de Redactie

en Gelden aan de Commissie van Financiën te Neerbosch.

Aan liet begin van 1917.

Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen' (Ps. 90:12).

Het begin van het Nieuwe Jaar brengt ons allerlei mooie wenschen aan huis. Gij zult ze ook wel hebben ontvangen, lezer! Ze hebben het, over het algemeen, erg goed met ons voor. Ze willen ons,, een heel jaar lang, laten wandelen op rozen, te midden van den zonneschijn, van een onbewolkten hemel. Ziedaar! mooier kan het al niet. Daar zijn er ook, min of meer wijsgeerig aangelegd. Alleen rozen dat gaat niet. Er zullen ook doornen komen; maar dan in ieder geval zoo weinig mogelijk doornen en zoo veel mogelijk rozen. Dat is toch ook nog een heele mooie wensch. Hierboven afgedrukt, staat ook een wensch. Een wensch in den vorm van een gebed. Misschien niet voor den smaak van het gewone Nieuwjaarspubliek, omdat alle fraaiigheid er aan ontbreekt, maar, waar we het licht verder mee brengen. „Leer ons alzoo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen." Wat een eigenaardige uitdrukking „onze dagen tellen" ! Wat bedoelt de Psalmdichter daar mee? Daar is allerlei tellen. Daar is een tellen met verlangen. Zooals een schooljongen bijvoorbeeld de dagen telt, die hem nog van zijn vacantie scheiden. Aan den avond van iederen dag zucht hij: „gelukkig weer een dag voorbij!" Is dit het tellen dat de tekst bedoelt? Ik geloof dat aan dit tellen maar weinig Christenen toe komen. Wij vinden er iets van bij Paulus als hij spreekt van „ontbonden te worden en met Christus te zijn. ^ En bij den ouden vromen zanger als hij zingt: „hoe dichter ik nader, bij 't huis van mijn Vader, hoe meerder ik hijg." Maar zulke dingen willen we dan ook eigenlijk alleen maar hooren uit den mond van Paulus, ol van een enkelen ouden vrome. Zulke dingen zeggen wij niet dikwijls in ons leven.

Daar is ook een tellen met begeerte. Zooals een gierigaard telt. Een gierigaard is eigenlijk een specialiteit m het tellen. Zooals een gierigaard telt zijn schatten, zoo tellen veel menschen hun dagen. Ze kunnen er niets van missen, want het leven is kort en ze moeten in dien korten tijd beroemd worden of rijk worden. Daarom hebben ze geen tijd om aan andere dingen te denken. Allerminst om den dag rustig met God te beginnen, zcoals natuurlijk ieder echt Christen . doet, en om den dag met Hem te besluiten. Ze hebben geen tijd om zich in zich zelf te verdiepen, om te luisteren naar de klachten yan hun arme ziel, die verhongert. Zulk tellen 18stelen. God heeft recht op onzen tijd en wij ontstelen Hem zijn recht. Zulk tellen oopt uit op een reusachtig bankroet. Aan ]et eind van het leven ziet men, dat men ;

zich verteld heeft!

aar is ook een tellen met zorg. Daar is ^en moeder van een groot gezin, die weet ver hoeveel, of laat ons liever zeggen, over

Hoe weinig ze kan beschikken, iedere week. En dan 's avonds als de kleinen rusten, dan neemt ze zoo dikwijls met een bezorgden trek t op haar gezicht haar geldkistje. Ze weet wel precies hoeveel er in zit en toch telt ze nog eens weer. Och, het is zoo weinig en er t moet zooveel mee gedaan worden, met dat i tellen komen wij heel dicht bij de beteekenis ! van onzen tekst. De Psalmdichter laat ons trou- wens zelf zien, wat hij met zijn dagen tellen bedoelt. Eerst komt hij met dat reuzen getal. Duizend jaar! Met de mededeeling er bij, dat die duizend jaren waarvoor wij duizelen, bij God zijn één dag en minder dan een dag. En dan zegt hij, nu wij het goed voelen door het contrast, och een menschenleven is zeventig jaar, hoogstens tachtig! Jan Luyken vertelt van een zonnewijzer in zijn tuin met het opschrift „dat telt af." Nu zijn we, waar we zijn moeten. Tellen, beteekent aftellen! Aftellen van een voorraad die klein is, vreeselijk klein en die met iederen dag mindert.

Daar hebt gij nu uw wensch lezer! voor 1917 en ook voor de andere levensjaren die God U misschien nog zal geven. Dat gij moogt leeren, als ge het nog niet kent: „tellen beteekent aftellen." Laten we eiken nieuwen dag beginnen, met dit tegen ons zeiven te zeggen.

Dan zal er heel wat opvulsel uit ons leven verdwijnen maar het echte zal meer naar voren komen.

Misschien is er een die wacht op uw uitgestoken hand, op uw verzekering dat alles vergeven is. Tellen is aftellen! Doe het dan dadelijk; morgen kan het misschien niet meer. Misschien is daar in uw leven een verborgen zonde, die gij achterhoudt: die gij niet aan den Heer beleden hebt. Doe het dan dadelijk; morgen staat gij misschien voor God. Misschien staat de Heiland aan de deur van uw hart, kloppend om binnengelaten te worden. Doe het dan dadelijk; morgen komt Hij mogelijk niet meer terug. Misschien zijt gij nog niet geklommen tot de zekerheid des heils — kunt gij alleen zeggen: „ik hoop het", „mocht het maar zoo zijn." Doch niet, met Paulus, „ik weet!'' Ik weet dat zoo mijn aardsche huis dezes tabernakels verbroken wordt, ik een gebouw bij God heb. Wacht dan niet en rust dan niet, voor de Heer u die zekerheid heeft gegeven, want gij zijt aan het aftellen en de kans bestaat, dat morgen uw aardsche huis gebroken wordt. Wat zou het vreeselijk zijn, als gij dan zoudt moeten staan zonder dak. Gij kunt op deze wijze nog wel zelf een tijd doorgaan lezer en allerlei dingen invullen die voor u persoonlijk erg noodig zijn. Maar zoo doende, Zal de onrust, de gejaagdheid die ons druist en knoeit, en die wij altijd ' gevoelen zoolang daar in ons leven nog het een oi andere werk ongedaan ligt, vooral ' het een of andere werk ten opzichte van God, plaats maken voor dien vrede des harten, die 6 alle \erstand te boven gaat. Zóó tellende onze dagen, zullen wij een wijs hart bekomen. c

R A. K. S. c

Kroniek der Weesinricliting.

r Met stormgeloei en regenslag heeft 1Ö16

ons verlaten Neen, zoo is het toch eigenlijk

k niet. Wel hadden we verleden week meer 3 dan één nacht schier noodweer en vielen er . groote plassen water, maar we hadden ook 1 dagen van goedheid en zegen. Op de Emmazaal, de ontspanningszaal of-te-wel huiskamer u der oudere werkjongens, een' groote met 'n j capaciteit voor 100 jongelui, werd een wedstrijd gehouden in het schaken en dammen. . domino en sjoelbakken, waar de ontwer. per en uitwerkers van dit plannetje veel ; pleizier van gehad hebben. Er was veel animo ; met groote deelneming en de winners be, haalden hun eersten, tweeden of derden prijs niet op de slofjes : er moest gekampt worden!

Ook de vele gaven ons van verschillende kanten toegezonden in onderscheidenen vorm, brachten schitterende kleur aan de laatste dagen des jaars. Menigmaal hebben we gedacht en ook gezegd: wat worden we toch heerlijk geholpen! Het behoeft niet breed uitgemeten te worden .... maar we beleven kritieke tijden. Er zijn voorzeker enorme kapitalen gevormd in deze oorlogsjaren en niet weinigen zijn er aardig bovenop gekomen of kregen in hun zaak wat ruimer gebruik van geldmiddelen .... doch daar staan tegenover zeer velen, die langzaam zijn achteruitgegaan, enkelen die reeds in groote zorgen verkeeren. Dus, dat wij tot heden alles kregen wat wij behoeven, is dat niet opmerkelijk?

We zijn toch een groot gezin en kunnen van een gulden ook maar honderd centen uitgeven. Het is ons daarom een behoefte het hier nog eens openlijk uit te spreken : hartelijk dank aan - grooten en kleinen die ons op eenige wijze gesteund hebben. Hierbij denk ik ook aan u, die ons met de Tombola j in minder dan geen tijd van 25000 loten hebt afgeholpen en zoo ijverig hebt bijgestaan om de kalenders uit te verkoopen en de almanakken te plaatsen: De Vader der weezen zegene U!

Op den oudejaarsdag hadden wij 's morgens Heilig Avondmaal en 's avonds sluiting des jaars. En was het voor ondergeteekende een reden van groote dankbaarheid dat hij krachtig en gezond geregeld zijn dienst- en predikwerk kon doen tot den einde toe —met velen hebben we ons dien morgen gesterkt in den Heer. Die door brood en wijn tot ons sprak van Zijn genade, rijk en vrij voor allen die door het geloof Hem ingeplant zijn. 's Avonds droeg onze samenkomst een heel ander karakter: de oudejaarsavond is zoo bijzonder ernstig. Haast schreef ik dat die iets sombers heeft. We staan zoo verlegen met het oooop ons zeiven, zoo verlegen als we letten op ons werk, zoo verlegen als we zien op onze omgeving en de menschen in wier midden we leven, zoo heel verlegen als we het o00.