Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N”. 279 (1899), (blz. 29). Hierbij werd eerst repositie beproefd, later versie; kind dood. H°. 624 (1899), (blz. 30). Yersie én extractie bij 7 cM. ontsluiting en traag pulseerende navelstreng; kind dood. N°. 857 (1900). Keering volgens Braxton—Hicks; de uitdrijving werd afgewacht en ondersteund; het kind kwam dood ter wereld. ]ST°. 912 (1900). Hier werd wegens de bekkenvernauwing de tang aangelegd bij niet-ingedaald hoofd. Inde bekkenholte werd de tang afgenomen en opnieuw aangelegd, waarbij bleek dat intusschen de navelstreng was uitgezakt; dit kind kwam levend ter wereld. Resumeerende hebben we dus te berichten over 14 gevallen van prolapsus funiculi. Daarbij kwam slechts 4 maal het kind levend ter wereld en wel 3 maal bij de 7 ongecompliceerde gevallen van uitgezakte navelstreng en slechts 1 maal bij de 7 gevallen, waar deze afwijking bestond naast andere complicaties. Laten we 4 gevallen buiten beschouwing, waar de uitgezakte navelstreng niet meer klopte, toen hulp werd verleend, Nos 642 (1899), 205 (1899), 830 (1900) en 30 (1899), dan blijven 6 kinderen over, voor wier redding de therapie onmachtig bleek. In 3 van deze 6 gevallen, nos 279 (1899), 624 (1899) en 857 (1900) bestond hoofdligging bij bekkenvernauwing. In 2 gevallen was dwarsligging gevonden, Hos 37 (1900) en 81 (1900) en in nog 1 geval hoofdligging bij normaal bekken, N°. 471 (1899). Bij deze ongunstige resultaten van de therapie bij prolapsus funiculi houde men in 'toog, dat niet de therapie als zoodanig in ’t algemeen onvoldoende is, maar dat zoo dikwijls het uitvoeren der therapie wordt bemoeilijkt door te geringe ontsluiting of door bekkenvernauwing. In onze polikliniek wordt van repositie steeds afgezien ; wanneer het al een enkele maal gebeurt, geschiedt het om de navelstreng zoolang uit de verdrukking te houden, totdat er assistentie is gekomen. Men weet dat een manueele repositie nooit anders dan struisvogelpolitiek kan zijn; men duwt de navelstreng weg, totdat men haar niet meer voelt en meent dan, dat zij er ook niet meer is, doch men dient te bedenken, dat men een te lange streng door deze bewerking niet korter heeft gemaakt, dat de lage insertie van de placenta (als oorzaak van prolapsus funiculi) daardoor niet veranderd is, dat de bekkeningang bij bekkenvernauwing, aangezichten stuitligging e.a. er niet ontoegankelijk door wordt. Kortom de oorzaak van het vóórliggen resp. uitzakken blijft. En aangezien repositie met meer of minder vernuftige instrumenten, waardoor de

22

Sluiten