Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Treub antwoordt, dat sarcomateuse degeneratie van myomen inderdaad zeldzaam is. De heer Koawer sluit zich hierbij aan. Hij vraagt, of Dr. cle Josselin de Jong zijn opvatting aan de gynaecologische vaklitteratuur heeft ontleend? dit komt hem onwaarschijnlijk voor. De heer de Josselin de Jong heeft zijn indruk o. a. ontleend aan een geval, uit Ziegler’s Beitrage, vaneen grootfibromyoma uteri, waarvan het centrum een sarcomateuse nieuwvorming was. Een groot aantal literatuuropgaven van soortgelijke gevallen is daaraan toegevoegd. Haar aanleiding van de ascites-quaestie merkt prof. Kou wer op, dat ook hij die slechts bij uitzondering bij myomen vindt, en dan nog in geringe hoeveelheid als verrassing bij de operatie. Hij vermoedt echter, dat Dr. de Josselin de Jong gevallen op ’t oog heeft, waar de ascites overweegt; en waar dus een groote massa vocht inde buikholte wordt gevonden. Een dergelijke ascites zou wel degelijk voor maligne degeneratie kunnen pleiten. Dr. Bar nou w zegt dat hij over de zaak in quaestie slechts betrekkelijk weiuig ervaring heeft. Hij heeft misschien een 300 gevallen van fibromyoma uteri gezien, en daarvan circa 30 geopereerd. Hij heeft echter de meeste zijner patiënten in ’t oog gehouden. Hij weet, van degenen die gestorven zijn, waaraan zij zijn gesuceomheerd. Daaronder is er slechts éen, waar de oorzaak -wellicht in kwaadaardige degeneratie van den tumor gelegen kan zijn. De meeste gevallen kent hij nog; de geopereerden zijn allen goed gebleven. Zijn indruk is dus ook, dat sarcomateuse degeneratie van myomen uiterst zeldzaam is. Dr. van Oordt krijgt hierop het woord tot het doen zijner mededeeling omtrent een geval van febris puerperalis behandeld met intra-veneuse injectie van collargol. Spreker kreeg dezen zomer een patiënte onder behandeling met febris puerperalis. De temperatuur was hoog, de algeiueeue toestand bedenkelijk. üterus-irrigaties brachten geen verbetering; het geval scheen hopeloos. Toen werd hij de publicatie van prof. W enckebach indachtig over intra-veneuse injectie van collargol bij septische toestanden, en besloot het middel te beproeven. ’s Avonds werd 20 mgr. ingespoten. Dén volgenden morgen was de toestand heel slecht; temp. 40°. Daarop de dubbele dosis collargol. ’s Avonds toestand veel beter, temperatuur 38°. De patiënte genas. Over het post of propter bleef spreker in twijfel. Hij zocht daarom gedachten wisseling met Dr. Klinkert in Rotterdam, die het middel ook had toegepast. Bij navraag bleek, dat Dr. Klinkert het collargol wèl had besteld, maar niet gebruikt. Het fleschje

316

Sluiten