Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII. is een geval van deciduoma malignuni. Yr. W. (klin. 1901, n°. 130, 1902 n°. 42) werd in 1901 inde kliniek opgenomen wegens bloedingen na abortus vaneen mola. Reeds toen werd aan het bestaan van deciduoma malignum getwijfeld, maar na curettement scheen de uterus te gaan involveeren, terwijl het pathologisch anatomisch onderzoek niet tot een zekere uitspraak had geleid. Zij werd 20. 12.’01 uit de kliniek ontslagen, maar kwam 13. 4.’02 weer terug. Ongeveer een week na haar ontslag was zij weer begonnen te vloeien. Soms bleef de bloeding eens een dag uit, ééns 10 dagen en later nog eens 3 dagen. Af en toe kwamen coagula mede. Pijn had patiënt nooit. Yóór 14 dagen had patiënt koorts, een week daarna nog eens, vóór 10 dagen kreeg zij pijn inden buik. Patiënt maakt den indruk, sedert haar ontslag wat vermagerd te zijn. In thorax en abdomen zijn geen afwijkingen. De uterus blijkt grooter te zijn dan vroeger. Hij is goed bewegelijk, de parametria zijn vrij. Sonde 8’/2 centimeter, weinig bloeding, enkele kleine oneffenheden zijn inden uterus met de sonde te constateeren. Alsnu wordt besloten niet langer te wachten, maarden uterus te exslirpeeren. Dit geschiedt vaginaal, op de gewone wijze (met ligaturen) 19. 4.’02. De operatie geschiedde met wat meer bloedverlies (uit vaginaalwand en bindweefsel tusschen blaas en uterus) dan gewoonlijk. Den 2en dag na de operatie steeg de temperatuur tot 39°2, daarna hleef zij onder 37°5. Patiënt werd 17. 5.’02 genezen ontslagen. In October verkeerde patiënt iu blakenden welstand. Een kleine zeer oppervlakkige granulatie zit links boven inde vagina, resistentie is nergens te ontdekken. In Januari ’O3 komt pat. ter polikliniek en wordt een inoperabel recidief in het rechter parametrium geconstateerd. b. Wegens andere aandoeningen (6 gevallen). De reden waarom in zes gevallen tot de exstirpatie vau den uterus werd besloten was, dat bij vrouwen op gevorderden leeftijd, heftige bloedingen, te voren vergeefs op verschillende wijze behandeld , tot anaemie hadden geleid en door palpatie óf duidelijk myoomknobbels werden gevoeld, of op grond van hardheid en grootte der uteri de waarschijnlijkheid van het bestaan van myomen moest worden aangenomen, óf een diffuse vergrooting van cervix uteri en corpus leidde tot de diagnose: angiodystrophia uteri. In twee der zes gevallen waren bij bimanueele palpatie boven de oppervlakte van den uterus uitstekende myomen duidelijk ge-v°eld, in twee gevallen werd op grond van verdikking en hardheid van het vergroote corpus uteri de diagnose op myoom gesteld, N. Tijdsohr. v. Verlosk. en Gynaeo. XIV. 3

33

Sluiten