Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kortom hij, die vaak inde gelegenheid is het endometrium van het baannoederlichaam onder de verschillende pathologische omstandigheden microscopisch te onderzoeken moet zich verwonderen, dat dergelijke atypische epitheliumveranderingen aan de oppervlakte zoo weinig beschreven zijn geworden, zóó talrijk zijn ze voorhanden indien men zijn bijzondere opmerkzaamheid daaraan wijdt. Dit geldt voor de epitheliumcellen zoowel wat hun vorm betreft als voor de neiging zich op atypische wijze te vermeerderen. In ’t algemeen mag echter aangenomen worden, dat dergelijke atypische epitheliumformaties hoewel zij door vorm en rangschikking aan plaatepitbelium doen denken, in andere opzichten daarvan belangrijk afwijken. Zij kunnen dus met betrekking tot de quaestie der metaplasie van cylinderepithelium in plaatepitbelium slechts van theoretisch belang , doch niet van praktisch nut zijn. Een werkelijke vervanging van cylinderepithelium door raeerlagig plaveiselepithelium kan men zich theoretisch verklaren ten eerste door irritatie hetzij van chemischen, hetzij van mechanischeu of anderen aard, ten tweede door kieminsluiting, ten derde door eigenlijke metaplasie. Zoo vindt men niet zelden meerlagig plaatepitbelium aan de oppervlakte der slijmvliespoliepen, of bij inversie uteri. Het proces komt overeen met wat wij bij de structuren der urethra bij den man, of bij bronohiectasiën vinden (Gebhard). Omtrent een eventueele kieminsluiting bij de transformatie van de Müllersche gang in uterus en vagina is nog te weinig bekend om hierover nader uitte wijden. En wat het laatste punt aangaat, de eigenlijke metaplasie, zoo doen wij vaneen praktisch standpunt het best volgens Gebhard een goedaardigen en een kwaadaardigen vorm te onderscheiden. Bij den klinisch goedaardigen vorm vindt men in plaats van cylinderepithelium een meerlagig plaatepitbelium aan de oppervlakte der oorpusmucosa. Daar een dergelijk epithelium duidelijke verhoorning vertoont en zich niet zelden zooals inde normale huid, papillaire uitbochtingen vormen, krijgt dit epithelium het ware karakter van plaatepitbelium. De cellen kunnen hierbij een van de plaatepitbeliën afwijkenden vorm aannemen, zij vertoonen echter nooit maligne eigenschappen. De klieren veranderen niet of zijn in geringe mate cystisch ontaard. Het beeld komt overeen met dat wat Zeiler alsichtyosis uterina, en Ye i t als epidermoïdalisatie beschreven heeft. Bij den kwaadaardigen vorm blijft de verandering van het epithelium niet tot een metaplasie van het dekepithelium beperkt, doch het vertoont daarnevens neiging, inden vorm van smalle balkjes in het stromate woekeren; het heeft zoowel een progressief als een agressief karakter. De klieren verdwijnen dan ook of geheel of

244

Sluiten