Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leven onder den druk van vroeger tijden, toen ze werd gebruikt zonder oordeel des onderscheids, zonder zich af te vragen of men kans op succes er mee had en ze derhalve veel teleurstellingen veroorzaakte. Doch aan de hand van de nauwkeurige waarneming, schatting en meting bij het tegenwoordig verloskundig onderzoek is aan de hooge tang een klein, doch scherp begrensd terrein afgebakend , waarop geen andere methode, met haar in concurrentie kan treden. Ze dunkt me aangewezen, wanneer hij vernauwd hekken (inde meeste gevallen zal dit zijn een plat vernauwd bekken) het hoofd met zijn grootste doorsnee in of nagenoeg in het vernauwde gedeelte van den hekkeningang vaststaat en de weeën thans onvoldoende worden het hoofd nog verder te drijven of de toestand van moeder of kind termineering der haring noodig maakt. Dat het hoofd met zijn grootste doorsnee inden ingang staat, blijkt hieruit, dat men het promontorium of in ’t geheel niet meer of nog slechts met moeite om het hoofd heen bereiken kan en dat het raakvlak van het hoofd een paar vingerbreed staat boven het vlak door de spinae ischiadicae getrokken. Men zal hierbij rekening houden met een eventueel sterk caput succedaneum, waardoor de indaling grooter schijnt dan ze werkelijk is. Men legt de tang dwars aan en trekke, voorzichtig doch krachtig, inde richting van de bekkenas, derhalve sterk naar beneden en liefst, nadat men de patiënt eerst in Walcher’sche ligging heeft gebracht; hierdoor wordt, zooals bekend is, de C. Y. niet zelden wat grooter. Vooral hoede men zich voor zijwaartsche bewegingen, waardoor licht de ureteren in gevaar komen. Men weet dat bij het plat vernauwde bekken asynclitismus anterior gunstig is: de dwarse afmetingen van het hoofd worden hierbij kleiner, dan wanneer het hoofd in synclitismus indaalt. Het hoofd wringt zich hier door de vernauwde plaats op ongeveer dezelfde manier, zooals men zich met behulp van zijn ellebogen zigzagsgewijs dooreen dichte menigte tracht heen te dringen. Ook gunstig is het, als het hoofd niet met de biparietale, maar met de bitemporale afmeting, dus met de groote fontanel het diepst, het vernauwde deel van den ingang tracht te passeeren. Hebben we deze omstandigheden bij elkaar en is het hoofd op deze wijze met zijn grootste doorsnee inden ingang gedreven, dan staat het hoofd, als ik mij zoo eens uitdrukken mag „hohe-Zangengerecht” en is de prognose van de hooge tang gunstig. Voor deze gevallen, die bij plat bekken herhaaldelijk voorkomen, lijkt mij de hooge tang de methode per excellentiam. Doch nogmaals, geheel verkeerd is het, het hoofd en a fortiori het ongemouleerde hoofd met de forceps geheel en al door den ingang heen te willen trekken.

258

Sluiten