Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds door hemzelf niet voor alle gevallen aangenomen. De theoretische kant van het vraagstuk zal nog wel niet aanstonds worden opgelost, de embryologie is zelf nog niet zoo ver, dat van de vorming van urogenitaalapparaat alles bekend is. Er zijn echter nog andere belangrijke quaesties, behalve de pathologisch-anatomische, nl. waaruit de tumoren ontstaan en onder welken invloed. Practiseh hebben deze tumoren belang: I°. om de klinische verschijnselen, die behandeling, operatie noodzakelijk kunnen maken. In ons geval was het hoofdzakelijk de bloeding, die echter wel alleen van de polypen afkomstig was. Toch heeft Pre u n d ook reeds op bloedingen als klinisch symptoom gewezen, zonder polypen v. cav. uteri. In ons geval echter ook vergrooting, die tot blaasklachten aanleiding gaf, en grond werd van operatief ingrijpen. 2°. mogelijkheid van maligne degeneratie. Hoewel gewoonlijk goedaardig , en zelfs eigenlijk geen adenoom, zijn er toch gevallen bekend van carcinomateuse degeneratie (Rolly e.a.). 3°. mogelijkheid van misvormingen. Piek e a. uit de kliniek Landau hebben daaruit nl. uit vroegtijdige hyperplasie van oernieren, geconcludeerd tot de mogelijkheid van afsnoering van Müll er ’sche gangen ; in hun geval was de cervix atretisch en eindigde ineen adenomyoommassa, afgeleid uit oernierweefsel. De diagnose is nooit met zekerheid te stellen. Klinisch is de beteekenis niet veel grooter, dan die van myomen aangezien de maligniteit zeldzaam is; hoofdzakelijk groei en bloedingen zullen doorslag geven. Operatief blijkt uit sommige gevallen dat partieele verwijdering voldoende is, de moeilijkheden hebben geen door den aard van den tumor eigenaardig karakter. Onze opinie is, dat niet alle adenomyomen gelijkwaardig zullen zijn, d. w. z niet alle of van M.g. óf van W.g. afkomstig. Bij de ontwikkeling van M.g. uit W.g. is het ook niets onwaarschijnlijk, dat uit beiden tumoren zich kunnen ontwikkelen, die in bouw dan ook veel overeenkomst kunnen vertonnen. Wij meenen, dat aan de plaats van voorkomen, aan de eigenaardige groepeering alléén niet te veel gewicht moet worden gehecht. Onzen tumor meenen wij voorloopig te moeten afleiden van het Wol ff’sche lichaam, omdat: lu. inde geheele nieuwvorming de bouw van klieren en omgevend stroma een zoodanige is, dat wij moeten aannemen te doen te hebben met één op verschillende plaatsen ontwikkelde (daardoor plaatselijke afwijkingen vertoonende) tumormassa. 2°. de tumor-

226

Sluiten