Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was het niet mogelijk den geheelen scheidswand tusschen vagina en haematometra te doorzoeken. Het slijmvlies van den linker hoorn vertoont weinig veranderingen. Het getal klieren is misschien iets vergroot, de verdeeling is regelmatig; het interstitieele weefsel is kernrijk, vertoont geen infiltraten of bloedingen. Op enkele plaatsen ziet men licht oedeem. Enkele klierbuizen zijn iets verwijd en opgevuld dooreen fijn-vezelige massa, die hier en daar licht korrelig is. De overgang van corpus- in cervixslijmvlies geschiedt geleidelijk, een scherpe grens is niet te stellen. De dikte van het slijmvlies neemt naar het halskanaal langzamerhand af, de stromacellen liggen minder dicht op elkaar, de klieren vertoonen meer uitbochtingen en nemen langzamerhand het karakter van cervixklieren aan. Door het minder dicht opeenliggen der stromakernen wordt bij kleine vergrooting de tint van het slijmvlies nagenoeg gelijk aan die van den spierwand, hierdoor wordt de grens tegenover den spierwand zeer onduidelijk. Deze grens is in het cavum uteri vrij scherp uitgesproken. Op doorsneden door het halskanaal met den uitwendigen baarmoedermond, ziet men naar het ostium toe de klieren steeds oppervlakkiger liggen eu spaarzamer worden De laatste klier ligt even voor den overgang van cylinder- in plaatepitheel, dit laatste wordt langzamerhand meerlagig. De onderliggende spierlaag vertoont niets bijzonders. De tegenovergelegen cervixwand vormt tevens den buitenwand van de haematometra. Een grens inden wand, die zon kunnen aanduiden, welk deel van den wand oorspronkelijk tot den rechter, welk deel tot den linker hoorn zou behooren, is niet duidelijk uitgesproken. Wel kenmerkt zich het deel van den wand dat het dichtst onder de binnenbekleeding van de haematometra ligt, door sterk uitgerekt zijn van cellen en kernen, doch dit verschijnsel gaat vrijwel geleidelijk over op den onveranderd uitzienden spierwand van den linker hoorn. Op enkele plaatsen van den wand vindt men echter plekken van fijnmazig retioulair bindweefsel, die, waarschijnlijk onder den invloed van de rekking van den wand, eene scherp lensvormige gedaante hebben aangenomen. Het getal dezer plekjes is gering, de plaatsing inden wand is dichter bij den sterk gerekten. dan bij den onveranderden hoorn. De klieren, gelegen in dat deel van de cervix dat den scheidswand vormt, zijn grooteadeels platgedrukt en sterk inde lengte gerekt, zóó, dat enkele klieren, nagenoeg parallel verloopende aan het oppervlakte-epitheel, de lengte bereiken van den diameter van

305

Sluiten