Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De overeenkomstige bouw van het stroma op de placentairplaats en extraplacentair, welke wij zoowel ante, als direct post partum konden aantoonen, terwijl de veelkernige reuzencellen gelijk ze in het inenschelijk puerperium beschreven zijn, op de placentairplaats bij Cercocebus geheel ontbreken, wettigt mijns inziens volkomen de opvatting, dat het stroma van den vroeg puerperalen uterus uitsluitend moederlijke elementen bevat. In het intermusculaire weefsel, dat inden versch puerperalen uterus weinig is ontwikkeld, zoekt men eveneens vergeefs naar reuzencellen. Pels Leus den (97) heeft het eerst gewezen op de groote beteekenis der serotinale reuzencellen als epitheliale elementen, welke een rol zouden spelen bij de nieuwvorming van klieren op de placentairplaats. De meeste onderzoekers (ofschoon zij de voorstelling van Pels Leusden, wat de kliervorming betreft, verwerpen) sluiten zich aan bij de opvatting van Marchand (95), dat deze cellen, hetzij ze foetaal of moederlijk zijn, een epitheliale herkomst hebben. Le o po 1 d (97) daarentegen heeft ze als moederlijke bindweefselcellen beschreven. Een uitvoerig verslag van deze tegenstrijdige meeningen vindt men inde litteratuurbespreking van d’ Erchia (99). Persoonlijk heeft d’Erchia een dualistische opvatting, hetgeen blijkt uit zijn woorden : „Die Riesenzellen der mütterlichen Placenta ontspringen aus dem veranderten Uterusepithel. Es ist jedoch keineswegs ausgeschlossen, dasz einige Zeilen aus dem Bindegewebe eutsteben können”. Ik vermeld nog eenmaal nadrukkelijk, dat de cellen op de placentairplaats bij Cercocebus geheel overeenkomstig zijn met de extraplacentaire (type A): het eenige verschil bestaat hierin, dat ze in het laatste gebied vroeger te gronde gaan. Enkele haarden dezer cellen kan men nog tamelijk laat in het puerperium te midden van het normale stroma terug vinden. Het is zeer waarschijnlijk dat enkele dezer cellen, voor zooverre ze niet te gronde gaan, een rol spelen bij de regeneratie van het stroma, namelijk bij de genese van type C, welke ik bij de afzonderlijke bespreking der preparaten beschreven heb (stadium IV PI 8 fig. 12). Het gelukte mij niet, uitte maken of elke groote cel het vermogen heeft tot een normale stromacel terug te keeren, of dat alleen de kleinere cellen , welke ik in vroeg puerperale stadia als meer levensvatbaar uitziende elementen tusschen de gedegenereerde cellen van type A waarnam, als moedercellen van type C moeten worden opgevat. Ofschoon ik geen mitosen in deze cellen kon aantoonen, houd ik deze laatste genese voor veel waarschijnlijker.

261

Sluiten