Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De scheiding tusschen celtype C en de stromacellen, die uit het intermusculaire weefsel afkomstig zijn, is niet kunstmatig. Mijn argumenten voor een afzonderlijke herkomst der eerstgenoemde elementen zijnde volgende: 1. Tusschen de cellen inden vroeg puerperalen uterus, welke te gronde gaan, liggen andere met zeer normaal voorkomen. 2. Celtype C wordt het eerst gevonden in het binnenste deel der mucosa, dikwijls centraal van de oude haarden van type A. 3. Hoewel aanzienlijk kleiner, komen deze cellen in’uiterlijk inden beginne veel meer overeen met type Adan de andere stroma-elementen (vergelijk PI. 8 tig. 12 met fig. 10). Later gaat dit onderscheid verloren. Ook wat dit punt betreft vindt men inde litteratuur over het menschelijke puerperium veel tegenstrijdige meeningen. Terwijl van de latere onderzoekers b.v. Bies (93), van der Ho even (02) en W ormser (03) deciduaoellen tot normale stromacellen laten terugkeeren, meent Opi t z (00), dat deze mogelijkheid ten eenenmale moet worden uitgesloten. Zoodra de regeneratie van het stroma is begonnen, treft ons de groote kernrijkdom van het intermusculaire bindweefsel, voornamelijk op de placentairplaatsen inde omgeving der groote gethromboseerde vaten. Raast bindweefsel-elementen vinden we hoofdzakelijk mononucleaire leucocyteu, welke ook in groot aantal inde capillaria liggen en eveneens het stroma infiltreeren. De langwerpige cellen met langen smallen, vaak donker gekleurden kern, die ik type B heb genoemd en die met type C het hoofdelement van het jonge stroma vormen, herinneren zeer aan fibroblasten. Het grootste deel van het slijmvlies met zijn rijkdom aan capillaria doet ons in dit stadium aan een granulatieweefsel deuken. Mitosen heb ik in het intermusculaire bindweefsel slechts gevonden ineen stadium, waarin de jonge mucosa reeds gevormd was, toch meen ik te oordeelen naar de vele bindweefselstrooken, die uit de muscularis opstijgen en naar den grooten celrijkdom van het intermusculaire weefsel dat van hier uit de regeneratie van het stroma in hoofdzaak geschiedt. Het oorspronkelijke verschil tusschen type B en C gaat later verloren. Het stroma krijgt langzamerhand zijn normaal voorkomen; de invasie van leucocyteu (voornamelijk lymphooyten) blijft echter zeer lang bestaan. Zoodra het stroma geheel hersteld is, verdwijnt de celrijkdom van het intermusculaire weefsel. Nieuwvorming van stroma-eleraenten uit spiercellen, gelijk Werth (95) meent te vinden, heb ik nergens gezien. Een dergelijke nieuwvorming komt mij trouwens hoogst onwaarschijnlijk voor.

262

Sluiten