Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nowski beide als degeneratieteeken opvatten, heb ik veel zeldzamer in het puerperium aangetroffen, dan in bepaalde phasen van den menstrueelen cyclus (v. H er werd en (05) hoofdstuk I). Wormser maakt de juiste opmerking, dat de donkere, smalle kernen, welke Pol a n o (99) afbeeldt tusschen normale epitheelcellen, zeer gelijken op de bekende staafjescellen en moeilijk, gelijk Polano zich voorstelt, opgevat kunnen worden als voorstadia vaneen nieuwe epitheliale bekleeding (waarom Polano van syncytiale „kernen” spreekt is ook mij een raadsel). Onder de degeneratie-kenteekenen, welke Kiernowski verder noemt, vind ik o. a. de apicale verplaatsing van de kernen in het epitheel, terwijl Rathcke(9s) dit eenvoudig opvat als een voorbereiding tot karyokinese. Aan den eenen kant heb ik in latere puerperale stadia dezen stand der kernen herhaaldelijk tijdens mitose gezien, aan den anderen kant sluit ik mij bij Kiernowski aan, daar ik de kernen dikwijls apicaal zag staan in te gronde gaand epitheel, waar van mitotische deeling geen sprake kon zijn. Wormser beschouwt de wijze, waarop nieuwvorming van dekepitheel plaats heeft, tijdens de woekeringsperiode, welke door amitose wordt ingeleid, als een proces, dat vergelijkbaar is met de voorloopige epitheelbedekking, gelijk deze door Strahl, Kiernowski en Rathcke beschreven is. Zooals ik reeds blz. 264 vermeldde, zou echter volgens Wormser vaneen actief voortsohuiven van prae-existeerende epitheel – cellen, gelijk Kiernowski reeds vóór de periode vau nieuwvorming beschrijft, bij den menschelijken uterus geen sprake zijn. 3. Definitieve regeneratie door mitotische deeling. Dit laatste proces heeft Wormser in het menschelijk puerperium niet kunnen aantooneu. Zijn preparaten bewijzen hem, dat binnen de eerste twee weken na de baring geen indirecte celdeeling inden menschelijken uterus gevonden wordt. Toch is hij van meening, dat ten slotte de definitieve regeneratie door karyokinese moet tot stand komen. Dit vermoeden wordt door mijn waarnemingen bij Cercocebus bevestigd. De meeste klierfundi, waarvan de cellen zich, voor zooverre ik kon nagaan, niet langs amitotischen weg vermenigvuldigen, blijven ongeschonden als de rest der klier grootendeels onder degeneratieverschijnselen te gronde gaat. Aan deze fundi uit wordt het definitieve herstel door mitotische deeling ingeleid, zooals uit mijn beschrijving van stadium Y en YI gebleken is. Epitheliale reservecellen, gelijk Wormser en Kiernowski onder de gedegenereerde epitheelcelien beschreven hebben, waren

269

Sluiten