Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt voorgelezen. Het concept wordt goedgekeurd en de verdere regeling aan liet bestuur overgelaten, Hierop wordt overgegaan tot de wetenschappelijke werkzaamheden. Dr, Semmelink demonstreert een vaginaaltumor, verkregen door operatie bij eene 55-jarige multipara die, na ruim een jaa-r te copieuse menses te hebben gehad, plotseling een zoo heftige genitaalbloeding kreeg, dat de huismedicus voor exitus vreesde. Bij deze gelegenheid werd de tumor inde vagina gevonden, en operatie aangeraden. Daar de bloeding tot staan kwam en pat. verder nergens last van had, ging zij niet tot operatie over. Benige maanden later kwam de bloeding in geringe mate terug, gepaard met bloedige urine en ten slotte urineretentie. Dr. S. zag pat. toen voor het eerst, vond de vagina geheel gevuld dooreen ruim vuistgrooten, gladden tumor, gedeeltelijk geülcereerd, schijnbaar met vaginaalwand bekleed. In het laquear, aan de basis van den tumor, schenen de vaginaalwanden zich op den tumor om te slaan, was althans vaneen ostium, vaneen portiolip niets te voelen, evenmin vaneen uterus. De tumor was op het gevoel vochthoudend. De diagnose bleef in suspenso, de tumor werd in samenhang met den uterus per laparatomiam verwjjderd. De pat. overleed den Bden dag post operationem, zonder teekenen van verbloeding of infectie, maar comateus en met rechtszrjdige hemiplegie. De tumor bleek te zijn (pathol. onderzoek van Dr. de Josselin de Jong) een fibromyoom van het onderste gedeelte van den achtersten cervioaalwand, uitgegroeid inde achterlip van de portio, zoodat deze als een dunne schil overal de portio omgaf (te zien aan cervixklieren en vaginaalepitheel in en op de schil). De mucosa uteri was aan het versche praeparaat pappig bloedig, microscopisch is eikhor vermeerdering, ontsteking en beginnende maligne degeneratie. Terwijl de tumor inde achterlip van de portio was uitgegroeid, scheen het bij de palpatie vóór de operatie, alsof het gezwel van de voorlip was uitgegaan; een klein polypje in het ostium, niet als zoodanig herkend, was achter den tumor te voelen. De tumor was dus getordeerd. Dit feit, de torsie van dergelijke tumoren, is uit de litteratuur bekend. Herhaaldelijk zijn dergelijke tumoren voor inversio uteri gehouden, zoolang het niet gelukte, de opening inde portio te vinden en het cervikaalkanaal te sondeeren. In het onderhavige geval was inversio uteri verworpen, omdat de laatste partus, ruim 15 jaar geleden, zonder bijzonderheden was geweest, en omdat het klinisch beeld ook overigens niet voor inversie pleitte.

282

Sluiten