Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zoodoende geheel den indruk gaf vaneen grooten prolaps; alleen was de tumor niet buiten de vagina gelegen. Een ulous aan de achterzijde, bij uiteenhouden van de schaamlippen te zien, deed de gelijkenis met een prolaps nog volmaakter schijnen. Een tuitvormige zwelling op de onderste pool van den tumor, ongeveer recht tegenover de schaamspleet, maakte den indruk van eene portio vaginalis; echter ontbrak duidelijk elke opening. Hoewel de tumor vochthoudend was, kon bij percussie geen duidelijke fluctuatie worden geconstateerd; ook geen darmtoon. Bij onderzoek in narcose (ten behoeve der operatie) kon ik nog juist mijn geheele hand inde vagina brengen, en aan alle zijden om den tumor heengaan, behalve dan het gedeelte, waarmede bet gezwel inde fornix vagina,e bevestigd was. Ook daar was niets vaneen portio, een lip of een ostium te voelen; integendeel scheen de vaginaalwand zich daar aan alle kanten eenvoudig op het gezwel om te slaan. Bij dit onderzoek kreeg ik het gevoel, alsof een geringe onhandigheid het gezwel zou kunnen doen barsten. Behalve nog een klein strengetje, hoog inde vagina op de omslagplooi, en wat bloed aan de hand, waarmede ik onderzocht had, was het bovenvermelde alles, wat het onderzoek opleverde. Met het speculum kon ik alleen het onderste gedeelte van het gezwel in het gezicht krijgen; van sonde-onderzoek kon geen sprake zijn. Bij bimanueel onderzoek waren uterus noch adnexa te voelen. Het viel mij moeilijk hier een bepaalde diagnose te stellen. Eene inversio uteri echter meende ik te mogen uitsluiten. Wel is waar scheen overal de vaginaalwand continu op den tumor zich om te slaan, maar deze bevinding kon op een gebrekkige palpatie berusten. Uit de anamnese daarentegen bleek, dat de laatste partus voor ±ls jaar een normaal beloop had gehad, dat patiënte sedert over niets had geklaagd, terwijl bloedingen eerst voor kort tot het inroepen van medische hulp aanleiding hadden gegeven. Bovendien waren nergens openingen te zien, welke voor de ostia tubae hadden kunnen worden gehouden. Ook was nergens de ring te vinden, door welke de geïnverteerde fundus inde vagina had moeten te voorschijn treden. Ook een inversie, totaal of partieel, tengevolge vaneen inwendigen uterustumor kon ik niet aannemen, omdat ik geen inversieverschijnselen vond, en ook niet een tumor, die zich met meer of minder steel tegen den bodem afteekende. Het meest voor de hand liggend was een gesteelden polyp, een gesteeld fibromyoom of anderen gesteelden tumor, uit het cavum uteri door de cervix naar buiten tredend, aan te nemen. Maar, behalve dat het gezwel volstrekt niet uitzag als een fibromyoom of slijmvliespolyp, daar de bekleeding vaginaalwand scheen te zijn,

2

Sluiten